terug naar Publicaties
Dbnl, "Op de Hoogte", 1922 November, blz. 263
UIT DE LEERSCHOOL VAN HET GOETHEANUM
II. EURHYTHMIE ALS KUNST
Hoewel het niet geheel overeenkomstig de ordo rerum is, zou ik, in verband met de juist plaats gehad hebbende eurhythmie-opvoeringen in Holland, toch gaarne in dit nummer reeds vast voor bovengenoemde jonge loot der anthroposophische geesteswetenschap de aandacht vragen.
Het is misschien een tiental jaren geleden, dat men in de couranten lezen kon hoe een geleerde ontdekt had, dat men den vader van een dichtwerk kon vaststellen door de houding na te gaan, die men bij het voordragen van dat gedicht aannam. Een bepaald dichter, aldus de ontdekker, eischt onbewust een bepaalde houding voor de voordracht van zijn werk.
Uit mijn schooljaren herinner ik me, dat de meesteresse eens, op verzoek van hoogerhand, een rondvraag hield in de klas, welk kind bij het uitspreken van een of anderen klinker een kleur zag verschijnen.
In Leipzig moet een professor wonen, die, wanneer hij zijn leerlingen Mozart laat spelen, dezen daarbij een bepaalde metalen figuur voorhoudt, wanneer hij ze Schubert laat zingen, een andere, en zoo bij elk componist een verschillenden vorm uit metaal, hetwelk het gevolg is van zijn ontdekking, dat men op deze wijze ieder componist gemakkelijker in zijn speciale eigenaardigheid weergeeft.
Alles afzonderlijke aanwijzingen, dat hier en daar is opgemerkt, dat er verband aanwezig moet zijn tusschen klank, kleur en beweging (of de tot rust gekomen beweging, de vorm).
In den boezem der anthroposophische school is dit verband reeds een twaalftal jaren grondig en ernstig bestudeerd. Het behoort trouwens geheel tot die richting, is juist een arbeid om door het anthroposophisch vorschen aangegrepen te worden: de diepere intenties van genoemde verschijnselen op te sporen, hun wederkeerige werkingen vast te stellen, en ze in eenheid te verbinden.
De eerste aanwijzingen in deze richting stammen van Dr. Steiner. Wij wezen er in ons vorig artikel op, hoe Dr. Steiner vele, vele jaren van zijn leven er aan heeft gegeven, het sinnlich-übersinnliches Schauen, waarvan Goethe geweten heeft, en hetwelk deze ter verklaring van het plantenrijk heeft toegepast, te verdiepen en uit te breiden, zoodat hij in staat geacht wordt, door zijn talrijke, over heel de wereld verspreide aanhangers, licht voor hen te verbreiden over heel wat uitgestrekter gebieden dan het plantenrijk alleen. Dr. Steiner nu wees er op, hoe, wanneer de mensch spreken, zingen, kortom klanken uitbrengen wil, het geheele organisme daarvoor in beweging komt. Me dunkt, zoo iets is niet moeilijk te controleeren, wanneer men b.v. bedenkt, hoe men, wanneer men zeer vermoeid is, gaarne zwijgt, zich in rust houdt; en hoe b.v. een hypochonder, na tijdenlang zwijgen, wanneer hij eenmaal aan het spreken trekt, van geen ophouden meer weet, dat wil zeggen: wanneer hij eenmaal zich er toe gekregen heeft zijn organisme in beweging te brengen, zijn onmacht toont het weer onder zijn bedwang te krijgen.
En geen wonder: het is de diepere wil, waaraan, volgens Dr. Steiner, bedoelde bewegingstendenties ten grondslag liggen. Zoo sterk werken in den onbewusten wil zelfs deze intenties, dat men, wanneer men door een ander wordt toegesproken, in dit onbewuste deel van z'n wezen de neiging heeft, dien ander in gebaren te begeleiden. Zoo goed echter als in den modernen tijd van een zoogenaamd beschaafd redenaar verwacht wordt, dat hij de gesticulaties, waarmede hij zijn woorden zou wenschen te begeleiden en in uitdrukkingskracht te versterken, bedwingt, zoo goed smoort de moderne beschaafde toehoorder zijn lust tot accompagnement in een gecultiveerd rustig luisteren.
Het gebaar van redenaar of toehoorder zou trouwens slechts een geringe gedeeltelijke uitdrukking zijn van de uitgebreide innerlijke beweeglijkheid, die het gansche menschelijk organisme intendeert bij het zich gereed maken tot klank-uiten. Het blijft bij intentie, het organisme houdt, economisch, de in beweging komende krachten in, om ze ten volle beschikbaar te stellen voor de organen, die met de ademhaling verband houden. Het geheele proces van geluid-geven berust eigenlijk op een opeenhooping van krachten en vormingstendensen, die ten slotte als gemodificeerde ademtocht naar buiten stroomen. Elk geluid, elke klinker, elke noot is ten slotte te beschouwen als een ademtocht, gemodificeerd al naardat men van zijn verschillende spraakorganen, strottenhoofd, tong, tanden, lippen enz., gebruik maakt. En eigenlijk: als gemodificeerde ademtocht is het geluid reeds een afgewerkte, doode vorm. Het werkelijk levende, het sprudelnde, ligt vóór de modificatie. Dit levende nu, dit bloeiende veld van beweeglijkheid in den mensch voor hij den klank uitstoot, datgene alzoo wat aan den klank ten grondslag ligt, tracht de eurhythmist uit te beelden ter begeleiding van dien klank. Hetzij dit dan het gesproken woord, hetzij dit een toon is. En hij gebruikt voor die uitbeelding als instrument, hij geeft voor die uitbeelding: zijn gansche lichaam. De bewegingsintenties, die zich reeds metamorphoseerden, zich consolideerden, in het spraakorgaan, lost hij weer op, voert hij terug tot hun oorspronkelijke, levende bewegelijkheid, draagt ze over op zijn gansche lichaam en uit ze hiermede in toewijding. De kalme, beschaafde toehoorder smoort zijn begeleidingslust in een rustig toeluisteren, de innerlijk beweeglijke artiest, de eurhythmist, geeft onbedwongen zijn lichaam, zichzelve, opdat hij, wat bij het hooren van bepaalde klanken aan beweeglijkheid in hem woelt, uite.
Eén aangeslagen noot doet geen kunst ontstaan. Eerst de in harmonie elkaar opvolgende tonen baren die. Ten overvloede zij hier gezegd, dat evenzoo de eurhythmie zich pas als kunst openbaart in de onderlinge harmonie der bewegingen. Nu spreke men niet: ja, het is mogelijk dat een enkeling, Dr. Steiner of een ander begaafde, in dergelijk sinnlich-übersinnliches Schauen die levende beweeglijkheid, die het klankuiten voorafgaat, ziet, en de geziene vormen mede kan deelen. Maar hoe kan zoo iets door meerderen als kunst beoefend worden? Men spreke zoo niet, want men zou blijk geven, niet te weten, wat een artiest dan wel eigenlijk is. De kunstenaar is toch een sinnlich-übersinnlicher Schauer! Het zij den logisch-strengen denker en vorscher te doen gegeven, de producten van den kunstenaar volgens physisch-natuurlijke wetten te verklaren! Alleen wanneer men een bovenzinnelijk schouwen en zich-inleven in aanmerking neemt, is de kunstenaar, is de kunst te verstaan. Het wezen van den kunstenaar is het tegendeel van starheid, is bewegelijkheid. Zoo goed als het beweeglijk wezen van den schilder b.v. zich inleeft in, zich bewegen leert in de wereld der kleuren, zoo goed zal het beweeglijk wezen van den eurhythmisch aangelegden artiest zijn weg vinden in het rijk der bewegingen, zich thuis leeren voelen in de ruimte.
Want, dit is het eigenlijk: eurhythmie is de kunst der ruimte-beweging. Terwijl de mensch, zooals we dien van alledag kennen, zich gewoonlijk slechts in een gedeelte van zijn lichaam bewust is, speciaal zijn armen en beenen er vrijwel bij laat hangen, zelfs als hij loopt bijvoorbeeld zijn beenen als iets onbewusts maar meesleept, wordt in eurhythmie het geheele lichaam tot bewustzijn gebracht. Het bewustzijn ontstaat, dat men tot in zijn vinger- toppen en teenen toe één geheel is, men krijgt zijn gansche lichaam in zijn macht, leert het beheerschen en bewust hanteeren in de ruimte. De evenwichtszin wordt ontwikkeld. Zooals muziek het tot beweging geworden gevoel is, het gedicht de tot beweging geworden voor- stelling, zoo is eurhythmie het tot beweging geworden bewust contact met de omgevende ruimte. En om met de beeldhouwkunst te vergelijken: staan we beschouwend voor het plastische beeld, dan treedt ons daaruit tegemoet de zwijgende ziel van den mensch. Nadat we aangetoond hebben, hoe de eurhythmische beweeglijkheid ontstaat van binnenuit, vanuit de levende beweeglijkheid, die de oorspronkelijke geboorte van den geïntendeerden klank vertegenwoordigt, kunnen we zeggen: in eurhythmie treedt ons tegemoet de levend- bewegende ziel van den mensch. Men zou eurhythmie kunnen noemen: beweeglijke, fluïde, opgeloste plastiek.
Door dit alles is het duidelijk, hoe eurhythmie eerder de tegenvoeter dan de stamverwant is der moderne danskunst, zooals ze al meer ten tooneele wordt gevoerd. Deze danskunst toch is zuiver mimisch, d. w. z. nabootsend. Men tracht met zijn lichaam na te bootsen de indrukken, die de buitenwereld verwekt. De tonen der muziek naderen den dansende, hij ontvangt een indruk, de indruk wekt een individueel gevoel, hij tracht dit gevoel weer te geven met zijn lichaam. De eurhythmist, precies andersom, weet in zich een wereld van beweeglijkheid, die volgens vaste wetten in actie komt bij de geboorte der tonen, en hij tracht deze innerlijke beweeglijkheid naar buiten te zetten, uit te leven in de ruimte. De mimische danser is gevoelsobject. Verhevener en magischer uitgedrukt: de mimicus leeft in zijn ziel, brengt zijn ziel tot uiting. De eurhythmist heft zich boven zijn gevoel, handhaaft zich bóven het mediumschap, en bespiedt vanuit dit hooger standpunt den geestelijken oorsprong van muziek en vers. De eurhythmist leeft en arbeidt in wat uitgaat boven de ziel zoo verre als het eeuwige uitgaat boven het tijdelijke: in den geest.
Wij hebben er over gesproken, hoe de diepere, geestelijke wil ten grondslag ligt aan de beweeglijkheid van het organisme bij klank-intentie. Wanneer men dit dóórdenkt, niet star, maar lenig als een kunstenaar denkt, kan men er toe komen, de verborgen wetten volgens welke ware poëzie geboren wordt, te ontdekken. De diepere wil van den dichter, die op het punt is te scheppen en te wrochten, zal allicht van intenser aard zijn dan b.v. die van de dame, die op haar jour haar vriendinnen recipieerend toespreekt. De wil van den dichter boetseert wrochtend een klankenharmonie, die uit een grootsche, uitgesproken beweeg- lijkheid geboren is. Het spreekt dus vanzelf, dat het arbeidsveld der eurhythmie eigenlijk voornamelijk ligt in dat der ware kunstscheppingen. En hiervan dan weer speciaal, in aanmerking genomen haar uit geestelijke intenties ontstanen en geestelijke intenties zoekenden aard, in de kunstschepping die in het buiten- of bovenzinnelijke speelt. In Goethe's Faust b.v. bevindt zich menige acte, die zich zeer schoon eurhythmisch laat uitbeelden. De passages daartusschen door, die zich zuiver op de aarde afspelen, kan men dan acteeren. Want het acteeren is ten slotte de nabootsing van het gewekte gevoel, is mimiek. En we zeiden het: door mimiek is weer te geven dat, wat de aarde om ons zet, wat de buitenwereld op ons indraagt. Dat wat boven het naturalistische uitgaat, wat vanuit bovenzinnelijke werelden zijn rol speelt in het menschheidsgebeuren en den wil van den dichter tot zijn verklanking gereed vond, vindt zijn natuurlijke uitdrukking in eurhythmie. Des dichters wil, uit welke de klanken ontstonden, herleeft in de innerlijke wilsbeweeglijkheid van den eurhythmist.
Eigenaardig is, hoe we de drie functies, die het eigenlijke wezen van den mensch uitmaken: denken, voelen en willen, ook als de grondelementen van het gedicht ontdekken. Het denken, het voorstellen, wordt er vertegenwoordigd door den proza-inhoud van het gedicht; is ten slotte niets dan de ladder, dien men te bestijgen heeft voor men in den sfeer van den Parnassus belandt. Het voelen van den dichter uit zich in het rhythme. Zijn willen — we hopen het te hebben aangetoond — leeft in den vocalen opbouw van 't gedicht, in de klanken-harmonie. De declamator van het gedicht, dat de eurhythmist in bewegingen uitbeeldt, neemt al deze elementen in aanmerking. De declamator tracht met zijn stem vorm te geven, te beelden, zoo goed als de eurhythmist beeldt. Lijnrecht tegen de geliefde stroo- ming in, die, stoffend op eenvoudsdrang, een gedicht als proza gelezen wil hebben, vraagt om niets dan den inhoud alleen — aldus miskennend den werkelijken aard en de twee voornaamste elementen van het kunstwerk, dat wat het eigenlijk tot kunstwerk stempelt — lijnrecht tegen deze verblinde strooming in handhaaft in eurhythmie de declamator het rhythme, den klank, boven alles. Het voorbeeld, door Dr. Steiner zoo dikwijls genoemd, is te schoon om het hier niet nog eens aan te halen: hoe Goethe, die het waarlijk van nabij toch wéten kon, zijn tooneelspelers zijn idealen met de maatstok heeft ingestudeerd!
Dit wat de als gedicht verklankte tonen betreft. Maar we duidden er telkens reeds op, ook bij muziek wordt de eurhythmie in toepassing gebracht. Want ook van elke noot, van elk accoord is de wetmatigheid uit te vinden, die aan het ontstaan ervan ten grondslag ligt. En — de toeschouwer bij deze toon-eurhythmie zal het moeten toegeven — evenals bij de eurhythmische uiting van het gedicht komt op deze wijze ook van de muzikale compositie meer tot uiting dan door de moderne, bij de als grassprietjes dagelijks uit den grond rijzende danseressen, zoo geliefde vertolkingswijze. Terwijl deze toch niets tot uiting brengen dan het door de muziek individueel in haar ontstane gevoel, haalt de toon-eurhythmie uit de compositie denken, voelen en willen van den componist zooals dat in hem woelde en bewoog op het scheppingsmoment, aldus tusschen luisteraar en componist het volledigst denkbaar contact tooverend.
"Eurhythmie als kunst", werd boven deze beschouwingen geschreven. Het ligt alzoo niet in de bedoeling, de vele verdere mogelijkheden, die het doorvoeren der eurhythmische gedachte als gaven biedt, hier te bespreken. In het kort zij slechts aangeduid, hoe het kon, dat bijvoorbeeld ook voor de therapie en eveneens voor de paedagogie de eurhythmische gedachte reeds werd ontgind. Men bedenke hoe elke vorm is een tot rust gekomen beweging. Een ontstanen vorm kan men alzoo weer terugbrengen op een oorspronkelijke beweeglijkheid. Weet men nu, dat aan het uiten van een bepaalden klank een bepaalde bewegingstendenz van het innerlijk organisme, en, bij overdracht, van het spraakorgaan ten grondslag ligt, en tracht men den gezonden mensch met zijn lichaam deze tendentie te laten uitbeelden, dan zal deze een bepaalden vorm tot stand brengen. Men kent alzoo dien vorm, die uit een, door een gezonden dieperen wil doorsidderd organisme, voorkomt. Wetenschappelijk, maar vooral daarbij en daarboven met een grootschen, machtigen kun- stenaarsblik en kunstenaarswil vergelijkend, kan men langs zekere wegen bij het aanschouwen der eurhythmische bewegingen van een ziek mensch opsporen, waar het hem schort. Want aan de standvastige wet- matigheid, die aan de eurhythmische uiting ten grondslag ligt, ontkomt niets en niemand. Zoo min als aan de constante wetmatigheid van den geest überhaupt!
Maar zooals gezegd, hiermede is voor de therapeutische of heileurhythmie slechts een vluchtige aanduiding bedoeld. Een uitgebreide wetenschappelijke verhandeling zou noodig zijn om het materiaal aan kennis, dat op dit gebied reeds verworven is en nog te verwerven ligt, te beschrijven en daarmede te bewijzen, dat het zóó eenvoudig niet is. Speciaal in de klinieken te Dornach-Arlesheim en Stuttgart, die uit de anthroposophische beweging zijn voortgekomen, staan deze therapeutische mogelijkheden in het centrum der aandacht. En wordt de heileurhythmie reeds met succes op patiënten toegepast. En ook op scholen voor achterlijke kinderen en spraakgebrekkigen wordt op deze wijze reeds getracht hulp te brengen. De mogelijkheid blijkt te bestaan, dat b.v. klinkers, die door een kind niet kunnen worden gevormd, tot uiting komen wanneer ze herhaaldelijk beproefd zijn onder begeleiding van bewegingen door het kind, welke in de heileurhythmie bekend zijn als correspondeerend met die bepaalde klinkers.
Maar niet voor niets vindt ook op scholen voor het normale kind de eurhythmie steeds meer toepassing. Men bedenke hoe herhaaldelijk we genoodzaakt waren bij deze bespreking der eurhythmische bewegingskunst den wil te pas te brengen. En inderdaad is dit dan ook een der gewichtigste momenten voor de aanwending van eurhythmie als opvoedingsmiddel: dat ze de mogelijkheid bezit, tot in den dieperen wil van het kind door te werken, dezen aan te vatten en op gezonde, wetmatige, harmonische manier te moduleeren. En wil-beheer- schende, wilbewuste toekomstmenschen — wat ter wereld heeft de wereld op het oogenblik meer van noode!
Hoe verder men in de grauwheid der tijden teruggaat, hoe meer men kan waarnemen, dat het schrift, de schriftelijke weergave der taal, oorspronkelijk nauw verband hield met den, wat we nu maar kort zullen noemen, geestelijken vorm der klanken. Door de tijden heen is echter die weergave steeds verder van dien beteekenisvollen vorm verwijderd geraakt, het verband werd steeds losser, de schrijfteekens steeds zelfstandiger, het schrift kortom steeds abstracter. Tot in den modernen tijd … de uiterste graad van abstractie wel bereikt is in het schriftelijk alphabet der streepjes en boogjes, dat men stenographie noemt. Zie hier de eene uiterste pool, waartoe men komen kan, de pool der uiterste onkunstzinnigheid. Tot de andere pool, tot die der levende kunst komt men, wanneer men als in de eurhythmie de taal in den wortel harer geboorte aangrijpt en haar weergeeft in haar van leven doorsidderde bewegelijkheid.
Dit artikel is te lang geworden als men bedenkt, dat men over kunst eigenlijk niet spréken moet — dat kunst gedaan wil worden. Er ligt hier nog een eindeloos terrein te ontginnen. Dr. Steiner wijst er voor elke opvoering op, hoe deze geheele kunst nog in het eerste stadium harer ontwikkeling verkeert — zooals alle Muzen hare kinderjaren hebben gekend. Er wordt in Dornach en elders hard gearbeid aan dezer jongste Muze ontwikkeling. Ook voor Holland wordt de gelegenheid geopend, zich hieraan te wijden. Men kan om inlichtingen hierover schrijven naar het Gebouw der Anthroposophische Vereeniging in Den Haag, Ieplaan 85, vanwaaruit cursussen in eurhythmie gearrangeerd worden. Zooals men op de afbeeldingen ziet, wordt bij eurhythmie ook door gansche groepen uitgebeeld. Men houde echter in het oog, dat eurhythmie een bewegingskunst is, dat een fotografie alzoo eigenlijk nooit het eigenlijk wezen dier kunst kan weergeven.
En dan, tot slot, bedenke men ook dit: dat een ieder eurhythmie kan beoefenen, zoo goed als ieder zich op de piano kan Ieeren bezig houden. Dat het voor elk mensch zelfs gezond en nuttig is, zich eurhythmisch te Ieeren bewegen. Dat echter, zoo goed als het den kunstenaar eerst gelukt, kunst uit de piano te halen, zoo ook de kunstenaar uit de eurhythmische mogelijkheden eerst een kunst schept en ten tooneele voert.
Dornach-Arlesheim Adelyde Content
terug naar Publicaties