terug naar Publikaties

dbnl uit "Op de Hoogte" van october 1922, blz. 228


Dr. Rudolf Steiner.

UIT DE LEERSCHOOL VAN HET GOETHEANUM.


I. GOETHE EN STEINER.

Wel nimmer zullen de ridders, die eens de verspreide burchten op den Jurarug nabij Dornach bewoonden, een visioen gehad hebben van wat de eenzame vreemdeling, die stil de ruïnen dier sloten doorschrijdt, neerblikkend aanschouwt. Niet den voorzaat — den nazaat van ruïnen is het gegeven, de teekenen der tijden te beschouwen en peinzend te vergelijken.

En wèl geheel uit dezen onzen tegenwoordigen tijd stamt het Goetheanum. Dat van den anderen kant de wandelaar daar beneden in Dornach-Arlesheim tegen den achtergrond dier slotruïnen ziet liggen. Uit een geestesstrooming, die uit den tijd zelf geboren werd en tegelijk dien tijd zoekt te vernieuwen en te verfrisschen, groeide en ontstond het geweldig gebouw, dat aan Goethe niet alleen zijn naam ontleent. Op een diepe kennis en … toepassing van Goethe berust deze Dornachsche "Hoogeschool voor Geesteswetenschap".

Goethe verkeert zoowat in het geval van onzen Vondel: een ieder kent zijn naam plus zijn Faust (lste deel wel te verstaan), zooals elk rechtgeaard Hollander weet dat er eens iemand van den naam Vondel geleefd heeft, die een Gijsbreght wrocht. De gevallen, dat ook Faust en Gijsbreght slechts bekende namen zijn, gaan we hier voorbij. Genoeg zij te memoreeren, dat een werkelijke kennis van den geest van

Goethe ontbreekt tot op onzen tijd zoo goed als een kennis van het dieper wezen en geestelijk standpunt van Vondel. Zelfs zij, die Goethe vermeenden te bestudeeren, namen niet naar waarde notitie van het deel zijner geschriften, dat het meest kenmerkend was voor het peil van zijn wezen en dat hun den sleutel in handen kon geven voor het begrip zijner verdere werken: zijn natuurwetenschappelijke geschriften.

Dr. Rudolf Steiner was de eerste, die ernstig naar deze geschriften verwees en ze zelfs, reeds bijna een 40 jaar geleden, van verklaringen voorzien uitgaf. Het bestek laat niet toe, hier breed uit Goethe's werken aan te halen, volstaan zij slechts met "des Pudels Kern": hoe Goethe leert, dat in het enkele blad van een plant de gansche plant vervat is en hoe de gansche plant een metamorphose is van het enkele blad. Hoe hij dat waarneemt in "sinnlich-übersinnliches Schauen".

Duitschland heeft zijn Goethe zoo min ernstig genomen als Holland zijn Vondel. Op het oogenblik, dat het natuurwetenschappelijk denken, dat als strooming in de menschheidsevolutie ongetwijfeld zijn recht van bestaan had, op zijn hoogtepunt was gestegen, inderdaad hoogtij, bruiloft vierde, maar dan ook in het stadium beland was om een nieuwen spruit, een nieuw jong leven in zijn leven op te nemen, om met dien frisschen jongen impuls opnieuw en verder te evolueeren — op dat oogenblik verscheen Goethe in het menschheidsgebeuren, in de gedachtenschakel der elkander opvolgende menschengeslachten en wees den weg vooruit. Maar de zegen, waartoe het louter logisch denken een bepaalden tijd lang de menschheid had gestrekt, veranderde in een vloek. De blik, gewend geconcentreerd de materie te bestaren en te ontleden, rees niet meer omhoog naar waar Goethe wees — lag gekluisterd aan de, onder mikroskoop en secteer-mes levenloos gebloede materie, als Prometheus aan z'n rots. In oude, oude tijden — de Grieken bewaarden er nog de laatste verschijnselen van — had de mensch meer den geest, die werkte in en door de materieele verschijningen, dan de materieele verschijning zelf aanschouwd. Lees Homerus, lees zelfs nog Plato — blad voor blad zal het u staven.

Maar pas het reële staan tegenover het louter materieële objekt kon den mensch het reëel besef van eigen persoonlijkheid geven. Was er niet een tijd gekomen, waarin de mensch langzamerhand "blind" geworden was voor den geest, die door de aardsche verschijnselen weeft en spint (niet voor niets treft men in alle historiën en mythologieën steeds weer blinde dichters, zangers, koningen en goden), hij had nooit zichzelf noch de aarde gevonden. ]a, Kepler, Galilei, Giordano Bruno, ze waren de ware profeten voor hun tijd: voor den tijd, dat de verovering van het stoffelijk plan noodig was.

Maar geen verschijnsel ter wereld, waaraan niet opbloei, hoogtepunt, keerpunt en uitbloei inhaerent zijn. Alleen: het werd niet herkend, toen in Goethe een wijze lotsbeschikking den mensch aanwees, die bij het naderend keerpunt der stofverovering, der natuurwetenschappelijke denkwijze, de noodzakelijke post zou betrekken, d. w. z. de aanschouwingswijze der menschheid in nieuwe, jonge banen zou overleiden. Het onbewuste schouwen, als we het zoo noemen mogen, van den voor-Socratischen mensch, was ten koste van verovering van aarde en persoonlijkheidsbewustzijn opgeofferd - de mensch kende thans zijn aarde, bezat zijn Ik: thans mocht hij den geest achter de verschijningen weer gewaar, weer deelachtig worden, hij mocht weer "schouwen". Maar op de wijze van zelfs nog een ouden Griek kon dat niet meer mogelijk zijn, het schouwen kon en hoefde niet meer ontvangen te worden "als geschenk der goden". De ik-bewuste mensch kon zelf zijn geschenk "uit den hemel halen". Goethe schouwde het metamorphoseerende principe der planten uit eigen kracht.

En het keerpunt kwám. En werd niet begrepen, noch gegrepen. Men bleef de stof bestaren en denken over de stof en haar wetten, steeds logischer, maar steeds ook abstracter. Het denken verdroogde, verhardde, werd een gevaarlijk speelgoed in plaats van, wat het geweest was, een nuttig instrument. Goethe lag, zijn voornaamste taak genegeerd, doodgezwegen in het archief.

Dr. Steiner, reeds in zijn jonge jaren, zag het nootlottige er van in, dat deze impuls aan de menschheid dreigde voorbij te gaan. Hij zag in, hoe de zichzelf overleefd hebbende denkwijze de geheele menschelijke samenleving had aangegrepen, er, dikwijls onbewust, op inwerkte, en tot verdorring en verderving ervan moest voeren. Heel zijn leven, na die eerste daad van uitgave

van Goethe's geschriften over de natuurwetenschap, is geweest een voortbouwen, uitbreiden van Goethe's zienswijze en een trachten, de menschheid alsnog dezen noodigen impuls te doen verstaan en beleven. Midden-Europa, het stamland van Goethe, heeft niet gewild. Het heeft het gezocht in het Oosten, het heeft het gezocht in het Westen, het heeft zichzelf niet aangedurfd. De eigen profeet kon in het eigen land niet geëerd worden, men keek over z'n eigen Goethe heen naar een Goethe uit West of Oost. Waartoe deze verblinding, dit onvermogen, zelfstandig het evenwicht te bewaren, Midden-Europa brengen moest — hiervan waren en zijn wij allen de droeve getuigen.

Maar niet tot Midden-Europa alleen kan de rampspoed beperkt blijven. Het abstracte, uitgebloeide denken heerscht wijd daarbuiten, grijpt ook daarbuiten onwillekeurig reeds het kind vanaf z'n prilste jeugd aan. Holland zelf — we hebben de ellende nog niet aan den lijve gevoeld zooals Duitschland en Oostenrijk, maar . . . voor wie oogen heeft om te zien en ooren om te hooren nadert ook hier de chaos. Nog zijn er mogelijkheden voor Holland, nog is het tijd. Holland heeft nog kans z'n samenleving te redden. Holland heeft betrekkelijk nog de rust, te herzoeken den geest achter de verschijningen der samenleving, z'n samenleving op een reëeler, niet enkel op abstract, dood denken berustend fundament op te bouwen. Veertig jaar lang bijna reeds, onafgebroken sprekend en schrijvend, wijdt Dr. Steiner leven en krachten aan voorlichting der menschen. ]a, veel verwijten worden hem en zijn geesteswetenschap of anthroposophie tegemoetgeslingerd. Ook dat hij geen andere richting erkent, dat hij spreekt: Wat ik zeg, is waar of niet waar, een middenweg bestaat niet. — Maar kan iemand, die zich bewust is wat hij zegt, die reden heeft waarom hij zegt, wat hij zegt, anders spreken? Kan iemand, die zijn leven geeft om een impuls, waarvoor het tijdstip is aangebroken in de lange evolutie van het menschelijk bewustzijn en dien hij dreigend en onder rampen ziet verloren gaan, anders spreken dan: Wanneer de wereld de ideeën, die ik brengen moet,

niet opneemt, is er geen redden aan? Ziehier zeer in het kort geschetst de plaats, die Dr. Steiner in het cultuurleven van onzen tijd inneemt. Ik hoop nog nader op het machtige bouwwerk, waarin hij het Goetheprincipe van sinnlich-übersinnliches Schauen in praktijk bracht, in een daad omzette, zoodat, wat Goethe bij de plant in werking zag, hier z'n toepassing vond als groei en ontwikkeling van den eenen vorm naar den andere, terug te komen. Alsook op de bewegingskunst, de Eurhythmie, die aan dezelfde metamorphose-ontdekking haar ontstaan dankt en hier in Dornach met rappe vleugels zich als een nieuwe kunst ontplooit. Alleen is hier het menschelijk lichaam zelf object: de bewegingstendensen der spraakorganen, bij het spreken of zingen, overgebracht op het heele lichaam en in bewegingen hierdoor uitgedrukt. Sinnlichübersinnliches Schauen wijst uit, hoe aan het uitbrengen van elken klank een bewegelijkheid van het geheele organisme ten grondslag ligt. Men bedenke trouwens slechts, hoe men in uiterste vermoeidheid het liefst zwijgt, z'n organisme het liefst in rust laat. Genoemde bewegingstendensen worden echter onderdrukt, opgeofferd ten koste van de spraakorganen, alles concentreert zich in trillingskracht voor deze. Bootst één menschelijk lichaam of een groep van menschelijke lichamen de gedaante van het spraakorgaan bij het uiten van een klank of toon na, dan heeft men natuurlijk niet meer dan dat men bij de uitvoering van een muziekstuk één noot aanslaat. Slechts de opeenvolging en harmonie der klankuitdrukkende bewegingen baren de kunst, die eurhythmie heet.

Einde October *) komt Dr. Steiner weer kort in Holland, zal er eenige malen gelegenheid zijn hem te hooren. Ook zullen er eenige uitvoeringen der eurhythmische kunst gegeven worden. Hopenlijk komen voorloopig de hier gegeven aanwijzingen het verstaan der anthroposophische lezingen en uitvoeringen ten goede.

Dornach-Arlesheim, 19 Sept. 1922                                                                                                       Adelyde Content.

*) Zoo juist vernemen wij, dat Dr. Steiner spreken zal: in Den Haan 31 Oct. en 3 Nov., in R'dam 1 Nov. en waarschijnlijk 6 Nov. in Hilversum. Eurhythmie-opvoeringen hebben plaats in den Kon. Schouwburg te 's-Gravenhage 2 en 5 Nov.

BILD

Noord-Westzijde van het Goetheanum.


terug naar Publikaties