terug naar Publicaties
Delpher, 1923 januari, "Op de Hoogte"
UIT DE LEERSCHOOL VAN HET GOETHEANUM.
IV. NAAR AANLEIDING VAN EENIGE COURANTENARTIKELS WERKEN VAN Dr. STEINER.
Ja, nu zou ik dan moeten trachten, den lezers dezer serie van het Goetheanum zelve, van het gebouw, een beeld te geven. Maar eigenlijk heb ik nog zóóveel op mijn hart!. . . Komaan, ik waag het maar - men vergeve me dan, indien ik al te lichtvaardiglijk veronderstelde, dat der lezers geduld nog wel wat verdragen kan en ik de beschrijving van het gebouw wel tot de volgende maal mocht uitstellen.
Eigenlijk had ik dat betoog, waarvan mijn hart ontlast wil zijn, nog aan het slot mijner vorige beschouwingen uitweg willen banen. Het bestek liet het niet toe. En toch zou het zoo frappant aangesloten hebben aan het karakter dier beschouwingen – dat wat ik te betuigen heb naar aanleiding van wat me juist bij beëindiging van mijn Goetheanum-artikel de Nieuwe Rotterdamsche Courant te lezen gaf. Want dit was als de directe demonstratieve personificatie van de door mij aangeduide geestesgesteldheid van het menschdom, die van een geest wel weten wil, voorzoover die maar onbestemd daar ergens in de ruimte blijft zwerven, maar van een heiligen schrik bevangen wordt zoodra ze bespeurt dat het u met dien geest ernst is, dat hij voor u inderdaad reëel is.
In Den Haag waren uit de vier Mysteriespelen, die van Dr. Steiner's hand bestaan, eenige scènes eurhythmisch ten tooneele gevoerd. Naar aanleiding hiervan had iemand deze Mysteriespelen in de hand genomen, geheel of gedeeltelijk gelezen, en er een beschouwing over in den Rotterdammer gepubliceerd. Nu ontneemt deze schrijver ons weliswaar van te voren het recht, zijn beschouwingen als al te ernstig gemeend op te vatten: hijzelf spreekt van een vluchtige kennismaking, vluchtige indrukken, een met voldongen oordeel. Maar zijn algemeene karakteristiek, dat wat hij vooropzet, zullen we toch wel als ernstig bedoeld mogen aanvaarden – nu hij tot publicatie in een dagblad overging.
Een dagblad is daar tot voorlichting der lezende wereld — we mogen minstens toch van een kunstrecensent verwachten, dat hij zich bewust is waaróm hij aanprijst of afvalt.
De schrijver dan kan een en ander uit bedoelde drama's bewonderen, hij kan zelfs erkennen dat ze als kunstwerk boven de middelmaat uitgaan. Hij zou ook een indruk hebben kunnen ontvangen — als maar niet... als maar niet... Dr. Steiner in de inleiding geschreven had, dat de geestelijke wezens en krachten, die hij ten tooneele voert, niet gedacht moeten worden "allegorisch (of symbolisch)", maar dat ze in het werk verschijnen "zooals zij voor het geestesoog werkelijkheid zijn". Dit nu maakt alle appreciatie voor deze beschouwer bij voorbaat onmogelijk. "Wanneer ons de werkelijkheid van wat wij - niet als allegorie of symbool - maar als verbeelding hadden willen zien eenvoudig van tevoren wordt meegedeeld," schrijft hij, "vragen wij ons af: is dit kunst of kunde, kunst die ons van de werkelijkheid slaakt, kunde die ons ketent aan de werkelijkheid?" En hij vraagt: "Wat ontroert ons in een kunstwerk? Dat wat het van de werkelijkheid onderscheidt."
Laat ik nu vooropzetten, dat de anthroposophie het in zoover met den journalist eens is, als ook zij een bloote afbeelding der zoogenaamde werkelijkheid geen kunst acht. Maar het gaat er nu dan om, wat en hoe die werkelijkheid is.
Aan de hand der architectuur-ontwikkeling trachtten we als de voor onzen tijd noodige aanschouwingswijze aan te toonen: de geest in de stof, wáar maar mogelijk! De stof, de aarde, het leven, die ontgeestelijkt zijn, doorgeestelijkt! Deze geestelijke substantie dit geestelijk gewaad der werkelijkheid zouden, ideëel gesproken, deze gansche werkelijkheid reeds tot kunstwerk maken. Wat is voor bedoelden schrijver het kenmerk van een kunstwerk(?): dat wat het van de werkelijkheid onderscheidt! In een werkelijkheid zelve kan hij geen kunstwerk zien, de werkelijkheid zelve vermag hem geen kunstontroering te geven. Verbeelding had hij alles moeten weten, beelden had hij willen zien, die een ondergrond van werkelijkheid hebben, boven deze werkelijkheid uit rijzen, zelve niet werkelijkheid zijn. De nieuwe aanschouwingswijze der anthroposophie acht het beeld, de idee, die boven de zoogenaamde werkelijkheid uit rijst, minstens zoo
BILD: Het gebouw waarin de gekleurde vensters van het Goetheanum bewerkt zijn.
reëel als die werkelijkheid zelve. Dr. Steiner zegt zoo dikwijls, dat men, om de nieuwe gedachten, die hij brengt, te verstaan, eigenlijk moet "umdenken". Me dunkt, ook zelfs iemand, die meent het wel zonder de anthroposophie te kunnen stellen, moet het verloren-gaan van een denkwijze, die de wereld in haar tegenwoordige toestand gebracht heeft (het aanzicht van de wereld en de heerschende denkwijze zijn nu eenmaal twee niet te scheiden factoren) niet als een ramp gevoelen. Aan "het schoone", het kunstwerk nu, is goed te demonstreeren, wat we onder dat "umdenken" hebben te verstaan. Niet langer heersche een aanschouwingswijze, die als "het schoone" kenmerkt een geestelijke idee, neergelegd in den vorm van een stoffelijk ding of gebeuren - dat wat stoffelijk, zinnelijk-waarneembaar als kunst wordt geboden, zij omgewerkt tot, drage vorm en gedaante van, de geestelijke idee. Wil men in modernen zin spreken van symbool, dan zij de vorm, waarin zich de stoffelijke verschijning aan ons voordoet, symbool van, samenvallend met, (dit is de beteekenis van symballo) de qeestelijke realiteit, die er achter staat. Wanneer men, in het leven of op het tooneel, twee menschen in het contact, dat het leven hun bracht, hun dramatische lotgevallen ziet afwikkelen, stamt het ontroerd medelijden van den fijngestemde niet slechts uit wat hij aan aardsche wederwaardigheden van de betrokken personen te aanschouwen krijgt, maar uit het aangegrepen-wórden door de grootsche tragiek van den strijd van twee levende, reëele qeesten, van wie de duistere qangen naar het licht elkander kruisen. Wat we aan aardsch gebeuren zich zien afspelen is stoffelijke uitdrukking van, symbool voor, het werken van den geest. De aardsche werkeliikheid gezien in het licht van haar geestelijke werkelijkheid, één geworden met haar aeesteliike
werkelijkheid, de werkelijkheid opgevoerd tot ze ons als kunst ontroert! Kunst of kunde ...? Toen, den 26 September 1920, Dr. Steiner het Goetheanum in gebruik stelde, bevond ik mij onder de meer dan duizend gelukkigen uit alle landen ter wereld, die een plaats onder zijn gehoor hadden weten te vinden. In een gloeiende rede vernamen wij, hoe het werk, dat door dit Goetheanum volbracht moet worden, is, kunst, wetenschap en godsdienst, die oorspronkelijk één geweest zijn, maar,
BILD: Op het terras van het Goetheanum-Zuid-West.
jammerlijk gespleten, onderling zelfs alle contact hebben verloren, weder te vereenigen. In de kunst leve wederom al wat de mensch aan kennis en religieuse ervaring bezit, de wetenschap legge haar starheid af, worde gehanteerd met kunstenaarsbeweeglijkheid en ontvange het licht van den Geest, een vergeestelijkte kunst en een vergeestelijkte wetenschap leiden gezamenlijk hun stroomen heen naar het lichte meer van den godsdienst. In Dr. Steiner vinden we, zeldzamerwijze voor dezen tijd, de drie afgezworvenen vereenigd. Vandaar dat tallooze kunstenaren, godgeleerden, gegradueerden in een tak van wetenschap, zich telkens weder onder 'in gehoor scharen en verklaren, dat ze thans eerst hun eigen arbeid en hun weg verstaan. Kunst of kunde? Ook de grootste kunstenaar hier – en er zitten er héél wat, en beroemde (!) in de contrije van het Goetheanum, - volgt Dr. Steiner niet om van de werkelijkheid geslaakt te worden, noch de kundigste wetenschapsman, om aan de werkelijkheid geketend te worden. In tegendeel, zou ik zeggen. En ieder, die iets van Dr. Steiner en zijn levenswerk heeft begrepen, zal dan ook, wanneer hij een kunstwerk van hem leest, verstaan, dat hem kennis gebracht wordt, die uit een verbonden-zijn met den geest, uit religie, kunst werd. Dat Dr. Steiner de kunde bezit, zijn kennis als kunst te geven.
Te veel ernst als reactie op een courantenartikel, dat zichzelf als "vluchtige indrukken" karakteriseert? Toch niet, wanneer men bedenkt, hoe vluchtig velen lezen en hoe snel constateeren. "De krant zegt…" En dan wordt niet gerealiseerd, dat "de krant" één mensch is, met één individueel oordeel, dikwijls zelfs maar met een, niet opgebiechten, vluchtigen indruk. Die dan met één pennestreek soms de ondoordacht hem door het publiek toegekende macht uioefent en den reuzenarbeit van een leven van dat door eigen verdwazing getroffen publiek afsluit. En juist wat nieuw, groot en edel is – en daardoor een niet in een vluchtigen indruk te vermeesteren goed – valt noodzakelijkerwijze het eerst ten prooi aan den met tijd minder dan met autoriteit bedeelden krantenman, die zegt …
In September passeerde de stamgast van De Haagsche Post, die daar werkelijks met een surprise verschijnt, op de route Italië — Holland, Bazel. Hij hoort er in 't voorbijgaan de woorden: Dornach, Dr. Steiner, begrijpt niet, dat hij daar nooit eerder aan gedacht heeft: dat je een oponthoud te Bazel aan een bezoek aan het Goetheanum kunt wijden. Nietwaar, als je dan toch gedwongen bent, een paar uur te verliezen...? Slechte aansluiting, tegenwoordig! . . . Met een trammetje heen en terug dus.
Bij het Goetheanum bevindt zich een bibliotheek, waarin o.a. alles bewaard wordt, wat met het werken van Dr. Steiner verband houdt: de talrijke van zijn hand verschenen boeken, de reeds in de duizendtallen loopende voordrachten, door hem gehouden en door trouwe volgers stenografisch opgenomen, over hem en zijn werken verschenen boeken en opstellen, jaargangen van tijdschriften, uit zijn school voortgekomen, en nog veel meer. Inderdaad een reeds zwaar beladen boekerij. En de schat groeit, groeit gestadig en snel ... In deze bibliotheek met archief vertoont zich, de een na den ander, een jonge zoeker, de speurdersblik stekend uit de oogen, een oude geleerde, wiens oude oogen alles ter wereld hebben afgezocht, die ten slotte hier nog binnenstrompelt.... Van dat de deuren worden geopend tot het sluitingsuur toe, wordt er door die, dikwijls van verre landen expresselijk hierheen gekomen, zoekers, in dezen levensarbeid gewroet.
Van tijd tot tijd worden in het Goetheanum cursussen gehouden, de zgn. Hochschulkurse, waar een staf van wetenschapsmenschen en kunstenaren aantoonen, hoe hun speciale arbeid door anthroposophie bevrucht is, tegelijk daarmede den waren kern der anthroposophie belichtend. Waar bovendien ook gelegenheid is, Dr. Steiner zelf herhaaldelijk te hooren. Ouderen en jongeren wonen hier, die onvermoeid bereid zijn tot verklaren, cursussen geven in verband met deze wetenschap van den geest. . .
Tusschen twee trammetjes door bekijkt een opgehouden doorgaande reiziger het Goetheanum en … eind van de week brengt een blad de surprise van twee kolommen Steiner-inlichting. Anderhalve kolom lang komt er van alles bij te pas, het onmogelijkste niet uitgezonderd. Ongetwijfeld heeft de schrijver anderhalve kolom z'n menschen laten lachen en ze de sensatie "surpris" bezorgd. Die niet de behoefte hadden, gesurpreneerd te worden, hadden waarschijnlijk voordien de lectuur reeds opgegeven. Dat was dan jammer. Want de laatste helft van de tweede kolom is de schrijver eindelijk tot zwijgen gekomen over alles, waar hij nooit kennis van heeft genomen en dus niets van weet, en begint hij eindelijk wat te zeggen over wat hij nu tenminste aanschouwd heeft, het gebouw, en waarbij dus iets van kan weten. En dan kan hij niet anders doen dan wat ieder doet die daar binnen is getreden: bewonderen. Dan moet hij spreken van een "waarachtige schoonheidsontroering", van "een andere en hoogere wereld, waar de kleur tot klank wordt en de gedachte tot vorm". Na vervolgens herinnerd te hebben aan de redactioneele beslotenheid van een H.P. artikel (wat ware er positiefs te zeggen in twee kolommen — indien de lezers zich maar niet lieten welgevallen, drie vierde gedeelte met een kluitje in het riet gestuurd te worden!) eindigt de schrijver: "Waarachtig, voor dezen Dr. Steiner als kunstenaar en bouwmeester — hij moge dan somtijds ook topzwaar zijn van theorie geef ik alle bouwsels cadeau van alle officieel genoteerde moderne architecten." (Die aanschouwing van topzwaar is een fata morgana, wanneer de schrijver door kennisname z'n eigen richting en zwaartepunt herzag, zou hij ontdekken dat het zwaartepunt bij Dr. Steiner integendeel onder het middelpunt zit, dat hij — zooals hij ook van zijn volgelingen verlangt — met beide beenen practisch-stevig op de aarde staat.)
Hoe ter wereld het mogelijk is, dat iemand, die één uiting, die hij aanschouwt, zóó radicaal bewonderen moet, niet voorzichtiglijk een beetje inbindt voor hij zich in het openbaar aan de kritiseering van verdere uitingen van dien geest waagt, zou onbegrijpelijk moeten zijn voor een beschaafd, bescheiden mensch. Maar aan dergelijke lichtvaardigheden heeft ook de fijnstbesnaarde zich reeds lang moeten gewennen. Met luchtigen zwier van woorden strijken langs wat zich aan verschijnselen in de wereld voordoet, het publiek den gelaten glimlach suggereeren, waarmede men superieur door de verschijnselen schrijdt, het is de bon ton der tegenwoordige journalistiek, der literatuur ook van onzen tijd. Luchtige scherts, de gelaten lach. Onze voorouders hadden een levensbeschouwing, levensbelangen, die hun een houvast gaven, de kracht van hun leven beteekenden. We ervaren het uit monumenten, mémoires, brieven, de literatuur van dien tijd. Wat zullen de komende geslachten in wat ónze tijd nalaat vinden als de kern van ons leven, als — de "opbouwende" kracht? De gelaten glimlach. De betoovering van den stillen lach, waarmee een van Suchtelen in een korte spanne tijds Holland tot een tiende duizendtal bekoorde. En déze Stille Lach is slechts één staaltje onzer moderne literatuur: wondere overvloed van regelrecht blootdekken en raak typeeren van decadenties, met tot slot: de huiverzoete wellust van den ondergang. Lichtpunten, uitgangen naar het licht, nieuwe mogelijkheden — nihil. Maar zoo suggestief, zoo aanpassend eigenlijk ook aan wat aan onmacht in de zielen der lezers heerscht, dat het voor Holland ongewone feit van een tienden druk in vervulling kon gaan. Een succes als onder de Duitschers die den oorlog hebben doorleefd en onpersoonlijker, wetenschappelijker, grootscher tragiek vragen, een Oswald Spengler beleeft met zijn "Untergang des Abendlandes", een Max Picard met zijn "Der letzte Mensch". Alles lectuur die schildert, betoogt — schildert en betoogt den ondergang, het einde.
Wel sterk steekt hier tegen af het werk van Dr. Steiner. Ook hij houdt niet op, zijn hoorders en lezers de teekenen van den ondergang aan te wijzen. Maar nog nooit heeft iemand onder zijn gehoor gezeten of hij is naar huis gegaan met een rijzend vermoeden, hoè uit de blootgelegde degeneraties uit te raken is. Diepe ernst is de grondtoon van Steiner's werk, ernst van mede-lijden om wat de menschheid thans ervaart, ernst van wil om uit dezen toestand uit te komen. Somber van tragiek zijn ook dikwijls Dr. Steiner's woorden. Maar dat is dan, omdat hij ziet hoe men het licht niet aandurft, niet aan wil. Uit gemakzucht dikwijls. Heel het verband van werelden en perioden, heel de menschheidsevolutie schildert Dr. Steiner keer op keer voor zijn toehoorders, om daaruit lijn en weg voor de toekomst aan te toonen. Honderden trekken op om het aan te hooren, duizenden blijven verre in hun "ivoren toren". Gemakkelijk en rustig. Wanneer in drie woorden alles verteld was, namen ze mogelijk van Steiner's denkbeelden even notitie, zooals ze dat ook van andere denkbeelden even doen. Eenvoud vragen ze. Om een uurwerk te verstaan, daarvoor begrijpen ze, dat eenige studie van noode is. Hoe het groote raderwerk van wereld en menschheid zijn gang gaat, dat wil de menschelijke geesten passant even opnemen. Maar zoo gemakkelijk komt men er nu eenmaal niet. Zelfs komt men er niet zoo gemakkelijk in. Er bestaat een aanvangsboekje, van Dr. Steiner's hand, om in de kennis, die hij voor dezen tijd noodig acht, in te leiden. Het was een poging om de ware theosophie, de ware goddelijke wijsheid, voor dezen tijd te geven. Hij heeft het boekje dan ook "Theosophie" genoemd. Het is in eenvoudige, gezonde menschentaal geschreven, van geleerde woorden en begrippen die men in andere werken, die wereldbeschouwingen geven, toch mee te verduwen krijgt, heeft de schrijver zich onthouden. Het is logisch en eenvoudig opgebouwd.
Toch heeft de schrijver dikwijls de klacht moeten vernemen, dat het voor aanvangers te moeilijk, te ingewikkeld was, men had toch zoo graag een werkje, dat men aan de meer simpele geesten in handen kon geven. Ik heb hooren vertellen, dat Dr. Steiner eens gezegd moet hebben, hoe hij ten slotte voor den aandrang was gezwicht, zich eenige malen heeft neergezet en getracht de gronddenkbeelden, die in genoemd werkje zijn aangegeven, op eenvoudiger wijze te verwerken. Maar dat hij steeds weer op denzelfden vorm terugkwam, dat het eenvoudig niet ging. En dat hij ten slotte dan ook verklaard heeft, als men in het groote menschheidsgebeuren, het eenige wat ter wereld van waarde is, wil worden ingewijd, dat men er dan ook maar een beetje moeite voor moet over hebben.
Wat natuurlijk een volkomen gezond standpunt is. Het is eer aan den simpelen geest, zijn simpelheid af te leggen, dan aan het te lezen werk, tot simpelheid te vervlakken.
Zoodat ik, wanneer ik m'n lezers wil aanraden, zich eens linea recta met de werken van Dr. Steiner zelf bezig te houden, ze als inleiding tot niets "simpelers" verwijzen kan dan naar dit boekje "Theosophie", dat in het Duitsch zoowel als in het Hollandsch te verkrijgen is. Voor speciaal philosophisch aangelegden is Steiner's "Philosophie der Freiheit" zeker welkome lectuur. Aan hem, wien vooral de tegenwoordige sociale chaos ter harte gaat, worde "Die Kernpunkte der sozialen Frage", vertaald als "De kern van het sociale vraagstuk" eens ter lezing aanbevolen. Ook het werkje "Drei Vorfrage über Volkspadagogik" is voor dezen zeker de moeite van het lezen waard. Ofschoon ook de paedagoog in het algemeen hier bepaald interesse voor zou gevoelen. De paedagoog heeft trouwens in de werken van Dr. Steiner maar voor het grazen. "De paedagoog bij uitnemendheid", hoorde ik Dr. Steiner toch bij herhaling betitelen. Zelfs Engeland erkent hem in dien zin, noodigt hem als zoodanig op zijn paedagogische congressen.
Toen in Augustus langslede te Oxford, onder voorzitterschap van den minister van Onderwijs, een congres gehouden werd over de "Spiritual Values in Education and Social Life", schreef de Oxford Chronicle zelfs o.a.: De belangrijkste persoonlijkheid van dit congres is wellicht Dr. Rudolf Steiner.. . Als compact klein werkje over Steiner's opvoedkundige denkbeelden kan zijn "Die Erziehung des Kindes im Lichte der Geisteswissenschaft" gelden, dat op het oogenblik in Hollandsche vertaling ter perse is. Van die aardige, kleine, kernachtige boekjes bestaan er een heele reeks, we noemen slechts "Blut ist ein ganz besonderer Saft", "Haeckel, die Welträtsel und die Theosophie", "Unsere atlantischen Vorfahren", "Das Vaterunser", "Weihnacht", "Reïnkarnation und Karma", "Wie Karma wirkt", "Das Wesen der Künste". Niet te vergeten ook "Goethe als Vater einer neuen Aesthetik", "Die Aufgabe der Geisteswissenschaft und deren Bau in Dornach", en "Das menschliche Leben vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft". Als grootere werken noemen we het belangrijke: "Das Christentum als mystische Tatsache", "Wie erlangt man Erkenntnis höherer Weiten?", "Die Geheimwissenschaft", "Die Ratsel der Philosophie". Deze boeken zijn alle te verkrijgen door bemiddeling van den uitgever W. de Haan, te Utrecht, of bij den Bücherverkauf des phil. anthr. Verlags Goetheanum, Dornach, Zwitserland. Er bestaat ook al tamelijk wat in Hollandsche vertaling en er wordt nog steeds vertaald. Want ook in Holland blijkt de lust voor werken, die behalve meedoogenloos ondergangs-symptomen, ook onvermoeid uitwegen aanwijzen, gelukkig toch nog niet geheel uitgestorven. Dr. Steiner's wetenschap van den geest vindt ook daar steeds meer aanhangers. En nu ik dan toch aan het titels en namen noemen ben, zal ik meteen voor diegenen van m'n Hollandsche lezers, die nu wel eens in dubbelen zin van wat meer nabij met deze beweging van het Goetheanum in Zwitserland zouden willen kennismaken, een paar adressen in Holland releveeren, van waaruit men zeker gaarne bereid is over alles wat de anthroposophische beweging betreft, in te lichten en eventueel over deelneming aan inleidende cursussen mededeeling te doen. Ik kies maar een paar adressen uit, wanneer men een adres in een andere plaats wenscht, helpt men aan de door mij te noemen adressen zeker wel weer verder:
Amsterdam, F. C. J. Los, Wanningstraat 11. Den Haag, Gebouw der Haagsche afd. van de Anthrop. Vereeniging, Ieplaan 85. Rotterdam, P. J. Soetekouw, Soetedaalscheweg 65. Utrecht, P. ]. de Haan, Parkstraat 45. Delft, Prof. Dr. H. S. Hallo, Rotterdamsche Weg 2c. Gorinchem, M. A. A. van de Poel, Leeraar H. B. S. en Gymn., Verlengde Pompstraat. Zaandam, N. D. Frankena, Soete-
boomstr. 4. Blaricum, Mevr. Jansen — Zijlstra. In Den Haag is Ieplaan 85 ook een Openbare Bibliotheek en Leeszaal gevestigd, welke elken Dinsdag en Vrijdag van 3 — 5 uur geopend is en waar men, behalve tal van werken van Dr. Steiner zelf en van anderen uit zijn school, op die uren ook iemand aantreft, die tot inlichtingen bereid is.
Zooals voor den bouw van het Goetheanum zelf volgelingen van Dr. Steiner, kunstenaren speciaal, uit alle landen zijn samengekomen, en zeven jaren lang, den oorlog en alle geschillen van nationaliteiten ten spijt, belangeloos hebben saamgewerkt om dat monument van wereldeenheid-in-een nieuw, — geestelijk — streven tot stand te brengen, zoo werken ook in Holland zij, die de kracht van dit geestelijk streven hebben erkend, met heel hun hart en heel hun liefde als vanzelfsprekend voor de verbreiding van dit streven, zetten zich met heel hun persoon in voor de evolutie van Steiner's impuls, die voert van de decadentie met haar stillen glimlach naar den stralenden lach van het triomfeerend Licht.
Dornach-Arlesheim Adelvde Content
Note: 1 Januari. Er was…, er was…, van 11—5 uur hebben we hedennacht om de vlammenzee gestaan, die onze Bau was — Oudejaar — Nieuwjaar. A. C
BILD: Op het terras van het Goetheanum. Détail van den Westingang.
terug naar Publicaties