terug naar Publikaties

1928, Het Toneel, geïllustreerd maandblad, jrg. 14 

Op de plaats van het Oudejaarsnacht 1922 afgebrand Goetheanum, nadert een nieuw Goetheanum zijn voltooiing. Het plan bestaat, het eind September van dit jaar te openen. Ook dit tweede Goetheanum werd nog door Rudolt Steiner zelf ontworpen. Architecten, die naast hem aan het eerste Goetheanum gebouwd hadden, bouwden thans met fijne, herinnerende intuïtie, naar een hun nagelaten Wederom vormen de twee-eenheid "tooneel-en-amphitheater" den kern. Hoezeer dan ook de beide bouwwerken in gedaante en wezen verschillen. Denken we terug aan het gebouw, dat daar eens dien Jura-rug boven het plaatsje Dornach kroonde, dan geeft ons onze herinnering de sensatie van een sprookjespaleis, dat een korten droom lang op de aarde stond. Wanneer er onder hen, die het gezien hebben, een sprookjesdichter is en wanneer deze er zich op een goeden dag toe zet, een "Sprookje van de Vorstinne Kunst" te dichten, dan zal hij, als hij het paleis der Vorstinne beschrijft, het Goetheanum beschrijven . . .

Het monumentaal stuk architectuur, dat thans dien Juratop dekt, doet eer denken aan een veste. Waar een droompaleis in vlammen omhoog zweefde, lijkt een burcht neergezonken.

Om den Mysterie-Drama's van Rudolf Steiner, die van 1910 af, totdat de oorlog uitbrak, elken zomer in een schouwburg te München werden opgevoerd, een eigen passende omgeving te verschaffen, werd de bouw van een Goetheanum oorspronkelijk begonnen. Het in 1913 aangevangen werk werd weliswaar tijdens den oorlog onafgebroken voortgezet, maar ondervond natuurlijk door de tijdsomstandigheden toch belemmeringen in den oorspronkelijk snellen gang. Toen in den zomer van '23 eindelijk, nadat in tien jaren tijds 1500 artistiek begaafde menschen hun krachten hadden gegeven aan de uitvoering van Rudolf Steiner's ontwerp en van zijn onvermoeide aanwijzingen, de MysterieDrama's weer zouden ten tooneele verschijnen in het in 1920 reeds in gebruik genomen gebouw, voorkwamen de vlammen van den Sylvesternacht dit gebeuren.

In het Februarinummer van dit blad wezen wij op de School van jonge tooneelspelers, die onder leiding van Mevr. Marie Steiner de impulsen, die Dr. Steiner gaf tot wederopleving van de macht van het Woord, tracht te verwerkelijken.

Sinds eenige jaren zijn de Mysterie-Drama's het centrum der studies. De hier in Dornach, Arlesheim of Bazel wonende en de uit alle landen voortdurend aanreizende anthroposophen werden tusschen andere praestaties door telkens vergast op eenige nieuw ingestudeerde bedrijven van "Die Pforte der Einweihung", "Die Prüfung der Seele ", "Der Hüter der Schwelle", "Der Seelen Erwachen".

Alles was nog maar voorloopig, zooals ook de omgeving, waarin gespeeld werd, slechts iets "voorloopigs" was: de oorspronkelijke timmermanswerkplaats voor het eerste Goetheanum, in den loop der jaren, mèt de groeiende noodzakelijkheid, steeds meer tot een ruimte voor een enorm auditorium uitgebreid. Verschillende artiesten oefenden zich aan een rol, men zag een stuk Mysteriespel dan eens in deze, dan in gene bezetting. De hierbij gevoegde foto's zijn dan ook op te vatten als slechts afbeeldingen van dit "voorloopige".

Wanneer in September a. s. het Goetheanum met inaugureele reden van kunstzinnige geleerden in gebruik genomen zal worden, zullen de vier drama's ten slotte in hun eigen omgeving in hun uiteindelijken vorm verschijnen.

Terecht zal men dan van een gebeurtenis kunnen spreken. En, wanneer we in aanmerking nemen dat vele tooneelrecensenten bij den aanvang van den zomer, toen ze het budget van het afgeloopen seizoen opmaakten, concludeeren moesten, dat het "niet veel nieuws of belangrijks ' had opgeleverd, mogen we verwachten, dat de aandacht van velen eind September naar Dornach gericht zal worden. Om met een onbevangenheid zooals speciaal de Engelschman die bezit tegenover nieuwe geluiden, toe te schouwen, of het nieuwe geluid vandaar soms een nieuwe lente kan beteekenen.

Wij weten, hoe het drama oorspronkelijk ontstaan is uit de oude Mysteriën. Dat, wat bovenzinnelijk tusschen góden en menschen voorviel in de Mysteriën, den volke drastisch kond gedaan: ziedaar de oorsprong van het drama.

Aristoteles heeft ons overgeleverd wat het doel van het drama was: de loutering, de katharsis van het volk. En als de elementen, waarmede het drama werkte om de katharsis tot stand te brengen, noemde hij: de angst en het medelijden.

Het zou het tegenwoordig tooneel, dat den waarlijk zoekenden mensch niet meer vermag aan te trekken, inderdaad tot heil strekken, indien het zich op deze definitie van Aristoteles eens wilde bezinnen. Verheffing van het peil van het tooneel zou het slechts ten gevolge kunnen hebben, wanneer men zich bewust maakte wat Aristoteles nog aanwees als de factoren, waardoor in de oudheid het drama heel een volk in zijn ban hield: opheffing van den toehoorder uit het alledagsgeploeter tot een wereld boven hem, tot de oerwereld waarvan het aardsch tableau slechts de schaduwbeelden gaf. Een stemming van ontzag, van eerbiedige angst voor de wereld der góden weefde van het tooneel naar het amphitheater, nam de menschenmassa in haar ban. En als gevolg en tweede component van de katharsis ontstond dan het mede-lijden, het medeleven met de zorgen en smarten, die de goden in de lotgevallen der menschen doormaken. De katharsis ontstond, doordat het op deze verheven wijze dramatisch doorleven van angst en medelijden den mensch ervoor behoedde, zich in het alledagsleven al te hartstochtelijk over te geven aan de angst en zich te verliezen in mede-doorlijden. De evenwichtige zelfhandhaving in het aardsche door het in het bewustzijn dragen van het eeuwig-geestelijke — deze eigenlijke zin van de Stoïcijnsche School was dezelfde, waarop reeds in ouder tijden het drama berustte.

Als een zondvloed voor heel een volk werkte in die oude tijden een drama. Zijn schepper was immer een ingewijde der Mysteriën.

Dat "het tooneel de opvoeder van het volk" behoort te zijn, is dus een stelregel die ouder is dan men dikwijls meent. Het is een onderlinge opkammerij, die tot niets dient, indien de menschen van het tooneel, spelers en schrijvers, het elkander niet toegeven, dat het tooneel zijn oorspronkelijke, ver-strekkende roeping wel zeer ontschoten is.

Zooals de bouwkunst steeds slechts een stijl voortbracht, wanneer één machtige overtuiging de menschheid gegrepen had, zoo kan ook het tooneel slechts opbloeien uit een diep, algemeen bewustzijn van de menschheid. In den enkeling-artiest dringt zich dan dit besef tot uiting. Gedragen wordt de artiest door het begrip vanuit het volksbewustzijn.

Wanneer wij te verklaren zoeken, is het dit laatste waarschijnlijk hetwelk verklaart, waarom gewoonlijk een Dornachsche kunstpraestatie in een of anderen tak tot heden nog iets anders is, wanneer ze ergens-ter-wereld, dan wanneer ze op haar eigen Dornachsch terrein verricht wordt. Het is nu eenmaal zoo: de lange, harde levensarbeid van Dr. Steiner tot het weer verbinden van den mensch met zijn geestelijken oorsprong heeft bij velen een bodem omgewoeld. Hoezeer individueel verschillend de duizenden, die hem bijgewoond, gehoord of gelezen hebben, ook zijn, één geestelijke overtuiging, zoo stellig als die, welke b. v. een Gothiek tot geboorte bracht, is hun gemeengoed geworden. Niet een overtuiging, welke van buitenaf is aangebracht — dit ware onmogelijk. Slechts wanneer de ziel ja zegt tot een vernomen idee, is de mogelijkheid der overtuiging gegeven. En de mogelijkheid, dat het bewustzijn der overtuiging de beamende ziel verder openwoelt. Ontegenzeggelijk voelt men hier bij opvoeringen op eigen terrein, dat de artiesten gedragen worden door het nieuw, gemeenschappelijk levensbesef, dat door de zielen van hun auditorium gevaren is. En dat ter plaatse ook we hoorden het hier meermalen erkennen den "vreemdeling in Jeruzalem" grijpt. Zal eenzelfde groep tooneelspelers b. v., die hier in den letterlijken zin van het woord "in zijn element" is en vrijuit speelt, morgen aan den dag naar een stad in Holland moeten reizen en er in een schouwburg, waar eenige weken lang een klucht of een operette ging, voor hetzelfde publiek misschien, dat er bij de klucht heeft zitten toekijken, z'n hem heilige kunst moeten ten toon spreiden, dan wed ik met onherroepelijke zekerheid van niets in de waagschaal te stellen, dat de Dornachers niet "doorbreken" zullen, niet door de kluchtsfeer van den schouwburg, niet door de onontgonnen zielebodems van het door hedendaagsche voorstellingen eer bedorven dan opgevoed schouwburgpubliek.

Men moet zelf hier in het Goetheanum-gebied geweest zijn om het in te zien: uit den omgewoelden bodem, waar de kiem voor een nieuw geestelijk bewustzijn werd gelegd, is op alle gebieden een nieuwe stijl opgebloesemd. Slechts hij, die de moeite nam, van Bazel uit, waar half Holland jaarlijks voor de zomer- of voor de wintersport passeert, twintig minuten zijwaarts naar Dornachsch terrein te trammen om zich te oriënteeren, kan dit vol beseffen. Voor elken tooneelspeler in casu moet het van waarde zijn, er kennis van te gaan nemen, wat daar voor het tooneel tot heden is bereikt. Ook thans reeds, voor de opening van het Goetheanum, is er voortdurend tooneel te zien. In gelijke mate als de oerwereld onzichtbaar werd, die de oude mensch nog achter het aardsch tableau had zien lichten hij bezat nu eenmaal "Fahigkeiten" van anderen aard dan de latere mensch, die zijn intellectskrachten deelachtig werd ten koste van zijn vroegere schouwende, helderziende krachten — in diezelfde mate werd het aardsch tableau belangrijk voor den mensch. Nooit zou hij de stoffelijke wereld geëxploreerd en bemeesterd hebben zooals hij dat gedaan heeft, indien hij den oergrond achter de dingen was blijven gewaarworden. Aan "das Ding an sich" heeft de mensch zijn intellect ontwikkeld en heeft hij zich vrijgevochten. Parallel met deze evolutie ging het tooneel. Het drama werd het drama van den over de duistere aarde dolenden mensch, waarachter de lichte oergrond verdwenen was. De tijden zijn echter wederom veranderd. Het besef van een lichte beweeglijke wereld achter het star aardsch tafreel is den menschenzielen weer gedaagd, hun als het ware teruggegeven. Het sombere tijdperk der afqeslotenheid is voorbij. De z. g. n. "vrijdenker" is de alleronmodernste in het tegenwoordig geslacht, omdat hij in gebondenheid-aan-de-materie denkt. Het drama, waarin de mensch lichtloos zocht en lichtloos zijn tooneelrol of zijn levensrol eindigt, bevredigt den modernen mensch niet meer. Ibsen is de dramaturg geweest, die het somber tijdperk der lichtlooze verlatenheid sloot: met vraag op vraag in meesterlijk-dramatischen vorm heeft hij die aera afgesloten. Het geslacht na hem verlangt antwoorden, uitwegen uit de materieele gebondenheid. Het is de verdienste van den schepper der tetralogie "Die Pforte der Einweihung", "Die Prüfung der Seele", "Der Hüter der Schwelle" ,en "Der Seelen Erwachen", antwoorden gegeven te hebben: met zekere hand voert hij zijn personen, door de hevigste ziele-revoluties heen, naar het licht, elk langs zijn eigenindividueelen weg. Typeeren we er slechts enkelen. Daar is Johannes Thomasius, de begaafde kunstenaar, wiens weg we zien gaan door de loutering heen van zijn liefdegevoelens. In het derde drama luidt het:

"Johannes, die Gefahrtin deiner Seele,

                                  Sie darf an deiner Seite wieder stehn,

                                  Und folgen darf sie dir in Weltengründe,

                                  In denen Seelen sich das Götterfühlen

                                  Erkampfen durch die Siege, die vernichten,

                                  Und von Vernichtung kühn das Sein ertrotzen" …

Het einde van Johannes' weg is het in wijsheid reine denken.

De weg van den denkenden daadmensch. Strader voert van zware aardgebondenheid tot den geest door in levensstormen en levenssmarten offerende liefde.

                                   "… seine Lust nach Taten,

                                   Sie war doch Liebe — die sich viele Formen

                                   Im Leben schafft, um sich zu offenbaren ..."

spreekt de verpleegster, die hem bij zijn sterven de laatste zorgen wijdde.

Capesius, de scherpdenkende en welsprekende professor, moet de brug vinden van het denken naar de werkelijkheid :

                                    "Die Kraft, sie fehlt dir nicht

                                    Zum edlen Geistesflug.

                                    Sie ist gegründet

                                    Im Menschenwollen.

                                    Sie ist gehärtet

                                    Von Hoffnungssicherheit.

                                   Sie ist gestählet

                                   Von Zukunftsferneblicken.

                                   Der Mut nur fehlet dir,

                                   Ins Wollen zu ergiessen

                                   Die Lebenszuversicht —

                                   Ins weite Unerkannte

                                   Zu wagen nur, erkühne dich! . . ."

Zijn weg voert van het denken, door aarde- en menscheliefde heen, tot inzicht in het goddelijke en menschelijke en tegelijk tot den wil, mede-werkzaam te zijn als dienaar van het God-gewilde.

De drang "zum edlen Geistesflug ins weite Unerkannte'' is de kracht, die van deze drama's uitgaat, en daarmede herstellen ze in den zin, die aan onzen tijd aanpast, de hooge roeping van het oude drama. Want al noemden we daar straks herstel van het oerdoel, de katharsis, het eenig middel tot herstel van het drama – in denzelfden vorm is het nooit mogelijk noch geoorloofd, het voorbije te reconstrueeren. Sinds de tijden dat op de genoemde wijze door angst en medelijden opgevoed moest worden, is de mensch van afhankelijk, Gode-qeleid wezen tot zelfbewust Ikwezen geëvolueerd. De katharsis, die het moderne drama bereiken moet, wil het den modernen mensch wederom voldoen, kan heden slechts ontstaan doordat het den mensch "im edlen Geistesflug" medeneemt, opdat hij "im weiten Unerkannten" de angst en eerbied voor de lichte godenwereld, van waaruit de impulsen voor zijn aardleven stammen, hervindt en er het mede-lijden met de goden beleeft als medeverantwoordelijkheid voor het lot van aarde en menschheid.

Dornach, 1928                                                                                                                                           Adelyde Content


terug naar Publikaties