terug naar "Publicaties"

Commentaarbrieven IV

COMMENTAARBRIEVEN BIJ DE MYSTERIE-DRAMA'S

VAN

RUDOLF STEINER


DOOR

ADELYDE CONTENT.

"DIE PFORTE DER EINWEIHUNG"

IN AANSLUITING AAN HET EERSTE BEDRIJF - JOHANNES EN MARIA


VIERDE BRIEF, Februari 1947

Met woord en wederwoord van Maria en Johannes Thomasius vangt de "Pforte der Einweihung" aan. De ziel van Johannes, het element, dat den aardschen mensch naar den geest voert, Maria, treedt in wisselwerking met dezen aardschen menseh, strijder om den geest. Men kan ook zeggen: Van het drama vangt het, eerste tafreel, dat Johannes' staan aan den drempel beteekent, aan met een tweegesprek van Johannes met de eigen ziel. Het is de ziel zelve van Johannes, die zich uit, als Maria het bedrijf opent.

Om wat hier, aan den drempel, tusschen Johannes Thomasius en de hem leidende zielekracht wordt uitgesproken, volkomener te benaderen, kunnen we ons verwezen voelen naar een bepaalde plaats in de drama's, die we een kernplaats kunnen noemen en die we dan ook steeds levend in ons bewustzijn zullen moeten houden. Dat is de plaats in het 7e tafreel van de "Pforte der Einweihung", waar Johannes, voor het eerst imaginatief doordringend in de wereld van den geest, door de persoonlijkheid, die in den karmischen kring om hem heen het schouwend vermogen representeert, Theodora, hoort verkondigen een door haar daar aanschouwd gebeuren. Dat wat Johannes zelve zoo schouwt en hoort onder het beeld van de verkondigende Theodora en waarvan Maria weldra tot hem zeggen zal:

                                 Johannes, was dir 'dämmert,

                                 Zum Vollbewusstsein sollst du es erwecken

is de openbaring, die hem — bij het eerste ontmoeten-kunnen van Maria's werkelijk wezen, haar geestesgedaante, in de geestelijk wereld — geschonken kan en moet worden over de waarheid van hun verbinding. Over een leven van hen in de eerste na-Christelijke eeuwen voelt Theodora zich "gedrängt zu sprechen". Dáár ligt de kiem van wat zich in dit leven moet uitwerken.

Een Rückschau, een terugschouwen in een vorig aardeleven, brengt precies dát, wat op het eigen moment de ziel noodig heeft te zien. Alle dagelijksheden van het leven van toen zijn weggevallen; een zeker geïdealiseerd beeld, een bloeiende essence van wat eens in langeren levensstrijd werd doorgemaakt, dat, wat de quintessence ervan beteekent, rijst en spreekt tot het bewustzijn van hem, die de Rückschau ervaart. Wat Theodora verkondigt uit hun beider vroeger leven, is dan ook precies dat, waar het thans voor Johannes en Maria op aankomt te weten, een in een geweldige "Rückschau" saamgevat, ingrijpend gebeuren in dat leven van toen. — Uit Hybernia's gewijde oorden, uit dat Ierland, over welks zin als mysterieplaats — vanwaaruit een zoo intensieve strooming tot kerstening van Europa uitging — Rudolf Steiner duidelijk gesproken heeft, kwam als zendeling naar heidensche stammen in deze Europeesche streken Maria. Een manlijke incarnatie, die in het drama gegrepen wordt op een beslissend moment voor hen beiden en Johannes voor de geestelijke oogen gezet. Johannes, die toentertijd leefde in een van die heidensche stammen in een vrouwelijke incarnatie. Het is het moment, waarop de boodschap

                                     von dem Menschengotte,

                                     Der zu der Erde niederstieg

                                     und der den Tod besiegte

op de aarde door Maria aan Johannes wordt gebracht. In den tijd, dat die boodschap eerst aanving als Evangelium, als Goede boodschap, over Europa verbreid te worden. Als heidenapostel kwam Maria tot Johannes; we benaderen de waarheid, als we Maria ook in dit leven heidenapostel ten opzichte van Johannes zouden willen noemen. Zij zet, uit de geheime oorden van het Christendom, haar werk aan Johannes voort. In laatste instantie is al, wat Maria als doel voor oogen houdt en tracht te verwerkelijken, het omzetten van wat des heidens is tot het waarachtig Christelijke.

Op welke wijze wordt de waarheid van hun verhouding tot Johannes gebracht?

Theodora verkondigt over een "geisterfüllten Mann", d.w.z. een mensch op aarde; van den Christus vervuld, een verkondiger op aarde van het Evangelie. Zij schouwt hem onder de heidenen: Maria als apostel. En zij vervolgt, hoe zij Johannes ziet:

                                  Vor ihm erblickt mein Auge

                                  Ein Weib, das in Ergebenheit

                                  Den Worten lauscht,

                                  Die aus des Mannes Munde kommen.

Den Worten aus des Mannes Munde, het op aarde verkondigde Evangelie – Johannes hoort het toe "in Ergebenheit". Getroffen, toegewijd verneemt Johannes de blijde boodschap, het woord om- trent den Christus.

Maar dan zal nog iets anders geschieden, iets wat boven de mededeeling van dat, wat in Palestina is geschied, uitgaat. Theodora schouwt onder de heidenen ook het kind, dat in de tegenwoordige incarnatie bij Maria opgroeit, haar "von seiner unbekannten Mutter vor die Tür gelegt" (3e tafreel). Of het toentertijd in dien heidenschen stam als man of als vrouw leefde, staat niet aangegeven; al krijgt men, bij het wraak zweren tegenover den apostel, meer den indruk, met een manlijken heiden te doen te hebben. Het zou er ook niet toe doen, als hier niet opmerkzaam gemaakt moest worden juist op de neutrale aanduiding van het pleegkind in de incarnatie van toen als "Heidenherz"; en even later: "ich kann erkennen dieses Herz". Op hel feit, dat we met een heidenhart te doen hebben, wordt de nadruk gelegd; het doet er niet toe, of het een heiden of een heidin was, het is een heidenhart, waarvan gezegd moet worden:

Das schwört dem Manne Rache.

Den man, den werker op aarde, wordt op de aarde wraak gezworen door een hart. En dat hart herkent Theodora: in het kind, dat zich aan Maria's zijde "schmiegt". Een beeld van steun-zoeken. En zij verkondigt verder:

                                     Es spricht zu ihm der Christusbote

("zu ihm", dat wil dus zeggen: tot het hart, "zu dem Heidenherzen", wordt gesproken):

                                     "Dein Schicksal will es nicht,

                                     Dass du mir nahst in diesem Leben;

                                     Doch warte ich geduldig,

                                     Dein Weg, er führt dich doch zu mir."

                                     Das Weib, das vor dem Manne steht,

                                     Es fällt zu dessen Füssen;

                                     Verwandelt fühlt es sich.

                                     Es betet eine Seele zu dem Menschengotte;

                                     Es liebt ein Herz den Gottesboten.

Wat gebeurt hier in waarheid? Tegenover het "dem Manne" wraak zweren door het heidenhart – een wraak aan den brenger van evangelie op aarde, aan het evangelie zelf – stelt de apostel een Christelijke daad. Daarmede de tot hem uit het heidenhart geschoten wraakschicht brekend. Hij richt n.l. tot dat hart het vertrouwen, dat zijn weg — wat zijn Schicksal thans verbiedt — het eens, in een volgend leven, tot hem zal voeren. Zóó werkzaam is dit woord van den apostel Maria tot het hart van den heiden gesproken, dat dit voor de incarnatie in ónzen tijd — dit gewichtig tijdsgewricht voor de houding van de menschheid tot den Christus — zijn weg vond naar den apostel, naar Maria. Als vondeling, hulpeloos, voor haar deur gelegd.

In dit verband zij herinnert aan wat Rudolf Steiner vertelt over de steeds mogelijke karmische uitwerking van de smart, die iemand doorleven kan, die een ander geestelijk zou willen benaderen, helpen, maar in die poging wordt afgewezen. Dit kan zich zóó uitwerken, dat de afwijzende in een volgend Ieven als een debiel, eeuwig zorgenkind bij de in het hart verwonde afgewezene geboren wordt. De laatste mag nu de eindelooze moeiten van helpen en heelen op zich nemen. Een evenwichtsherstel, waarvan het geluk het begrip voor het geluk, alleen maar gevat kan worden door wie boven logisch te beredeneeren rechtvaardigheidswetten weet te beleven.

Aangestipt zij hier nog, hoe dat, wat in dit leven imponderabel lijkt te liggen tusschen Maria en het kind en wat een innerlijke toenadering in den weg staat, wordt opgeheven door het wezen van Theodora, de draagster van het vermogen, den aetherischen Christus te schouwen: Christelijk beleven in onzen tijd. Als in tegenwoordigheid van het kind "Theodora Begeisterung erfasst" en het kind schouwen kan "der Augen glimmend Licht" — hetwelk den Christus in aethergedaante bereikcn en opvangen kan — hooren we:

                                   Erschüttert bis ins Lebensmark

                                   Empfand die junge Seele sich.

De "jonge ziel", het heidenhart, is op nieuwe wijze door den Christus geraakt. Dáártoe bevond het zich in de nabijheid van Maria, van den "heidenapostel" als leidende figuur in het centrum van den kring, waar het den-aetherischen-Christus-schouwend-vermogen gerepresenteerd moest zijn.

Als zielezorg eischend kind in de omgeving van Maria opgroeiend, leeft het kind echter in deze incarnatie tegelijk in de nabijheid en onder de hoede van Johannes, aan wien het, al was het Judas- gewijs, in de vroegere incarnatie een dienst heeft bewezen. Want door de Christelijke, aan den heiden volvoerde daad, waartoe de apostel door diens gedrag de mogelijkheid kreeg, kan dan over "ein Weib, das in Ergebenheit den Worten lauschte", Theodora nu uitzeggen:

                                 Das Weib, das vor dem Manne steht,

                                 Es fällt zu dessen Füssen,

                                 Verwandelt fühlt es sich.

Van het opnemen van de leer komt door de daad van den apostel de heiden Johannes tot het "verwandelt" worden. Knielend aan de voeten die, schrijdend over de aarde, bemiddelaars zijn voor de verbreiding van het evangelie, maakt Johannes principiëel, aan het begin van zijn Christelijken inwijdingsweg door de levens heen, het sterven en wedergeboren-worden door. In Christi morimur. Per spiritum sanctum reviviscimus. 

Hier en op deze wijze ligt de verhouding tusschen Johannes en Maria op aarde verankerd. Uitgedrukt in:

                                Es betet eine Seele zu dem Menschengotte;

                                Es liebt ein Herz den Gottesboten.

Het ontvangen-hebben van het evangelie van Maria door woord en daad is dat, wat Johannes aan Maria bindt, voor alle levens, op aarde en in het andere land. "Die Seele betet zu dem Menschengotte. Das Herz liebt den Gottesboten." In tegenstelling tot het verstokte heidenhart van den ander "liebt" thans dit hart. Het "liebt, den Gottesboten". Dát is het, wat Maria voor Johannes is en alleen maar zijn kán: "Gottesbote, Christusbote." "Selbsterkenntnisweg" van Johannes is, te ervaren, wat hij in waarheid in Maria zoekl en liefheeft: den Godsbode, die hem voert tot den Christus. Daar de opgaaf van deze planeet – zooals die in haar voorafgaanden toestand, den maantoestand, in het ontwikkelen der wijsheid lag – in haar aarde-phase ligt in de ontwikkeling van de liefde, is de strijd van een held, van een Faustmensch, in laatste instantie een strijd om de Ioutering van het liefde-element in hem. De ontwikkelingsweg der menschheid verliep zóó, dat die heldenIoutering onder het beeld van de Ioutering der liefde voor een bepaalde vrouw moet worden gebracht. Door vele "Stufen" moet Odysseus heen, over "eilanden" van steeds hooger wezens, vóór hij zijn Penelope hervindt. Wat Faust zoekt en stervend vindt, is Gretchens Unsterbliches, das Ewig-weibliche. Johannes' esoterische ontwikkeling wordt ons gebracht onder het beeld van den strijd om de metamorphosen zijner liefde voor Maria. Tot in het 4e drama toe moet Maria tot Johannes spreken:

                               Maria, so wie du sie schauen willst,

                               Ist sie in Welten nicht, wo Wahrheit leuchtet, (2. Bild).

Dit niettegenstaande we zeggen moesten, dat reeds daar, waar het mysteriegedicht aanvangt, de held de roman-Stufe heeft overwonnen. Voor den held van een inwijdingszang hebben de woorden een anderen, een dieperen zin dan den gangbaren. Na het overwinnen van de zoogenaamde roman-Stufe ligt nog een lange weg open vóór in waarheid de liefde van het bloed aan den geest is overgegaan. Slechts wie een "Ahnung" heeft van de grondelooze diepte van "Selbsterkenntnis" kan tot een Ahnung komen van de verpletterende dramatiek, waaróm in het 5e tafreel van II Johannes' Doppelgänger een Erkenntniszoeker en strijder van het formaat van Johannes Thomasius aan het oor moet ruischen :

                           Ich liebe dich, Maria …..

                           Mit pochendem Herzen,

                           Mit fieberndem Blute

                           Nur kann ich vor dir stehn …..

Waarover Johannes, – getuigend, zooals een elk, die zijn gezindsheid tegenover Maria bijgewoond zou hebben en zou meenen te kennen, getuigen zou – ontzet zich uit als over

                          Ein lüstern Zerrbild meiner Liebe,

                          Die mir so heilig ist – – –

Waarop de Doppelgänger onverstoord zich verder moet doen hooren als stem uit Johannes' ondergronden tot Maria:

                          …..Und wenn du sprachst von Seelenwegen,

                          Erfüllte mich die Seligkeit,

                          Die stürmisch wogt im Blute – – –

Tot, gelijk de Doppelgänger; ook de "Stimme des Gewissens" uit Johannes losbreekt :

                           So spricht verschwiegene,

                           Doch nicht vertriebene

                           Vom Schein gemiedene

                           Im Blut gebliebene

                           Geheime Kraft

                           Der Leidenschaft.

Dit is Johannes' ontwikkelingsweg: zijn liefde voor de hem leidende vrouw te Iouteren tot de zuivere liefde voor haar als Christusbode. Zou Maria één moment wankelen voor den waan, waarin Johannes ondanks alles bevangen blijft, zou zij één oogenblik ook maar met de geringste gedachte zieh verhouden tot Johannes als dat wezen, zooals hij haar in het diepst van zijn wezen nog "schauen will", dan was het met het werk, dat onder Maria's leiding volbracht moet worden, gedaan. De strijd, daarmede de taak van Johannes, ware verijdeld. De Christusbode van eens heeft ook in dit leven voor Johannes slechts Christusbode te zijn.

Dat, wat de Faustmensch, de naar Ikverwerkelijking strevende, in waarheid zoekt in de vrouw naast hem, zijn ziele-element, is leiderschap naar den geest, naar den Christus.

De ziel zelve dus van Johannes spreekt het eerste woord in het drama, zich tot den mensch wendend, dien zij te leiden heeft, dien ze ziet "welken an Geist und Seele". Zoozeer vormt Maria met Johannes een eenheid, dat ze zeggen kan:

                          Ich konnte nach so manchem Worte,

                          Das unser Redner eben sprach,

                          Im eignen Herzen mitempfinden,

                          Wie tief es dich verwundet.

Het woord, de rede van Benedictus – "den Redner" – dat voor allen, die gekomen waren, waar karma hen riep, op dat moment een zoo beslissenden zin had gehad, Johannes heeft het, datzelfde moment, diep moeten verwonden en Maria heeft dat mede-ervaren in het eigen hart.

In zekeren zin is deze eerste rede van Maria, die begint met aan de band te herinneren, die hen beiden tien jaren bindt, ook een Rückschau, in en over dit leven. Eerst herinneringen aan het ontstaan van hun vriendschap — zinvol in verband met wat we als den vóór Johannes liggenden weg der Ioutering aangaven, is het, dat Maria hem meteen in het eerste vers aanspreekt met "mein Freund" — en vervolgens het verloop van hun vriendschap gedurende die tien jaren en de uitwerking ervan. In een waar mysteriegedicht is een dergelijk terugschouwen reeds de aanduiding, dat de ziel ervoor staat, een schrede vooruit te moeten doen: de afgelegde weg wordt nogmaals gegaan, wordt overschouwd, tot aan het punt toe, waar men gekomen is. Dat punt wordt als het ware vastgelegd. Een: Wáár sta ik? En: Hoe ga ik voort thans, volgens de lijn, die ik achter mij ontwaar?

Zoo schildert Maria dan eerst Johannes, zooals zij hem gezien heeft in den tijd, dat hij, in zijn ziel als ontwaakt door het in-zijn-leven-treden van Maria, voor zijn kunst indronk wat zij, uit de school van Benedictus, hem voor het leven van zijn ziel kon bemiddelen:

                                  Ich sah in deine Augen einst,

                                  Sie spiegelten Freude nur

                                  An aller Dinge Wesenheit.

                                  Und deine Seele hielt

                                   In schönheitsvollen Bildern fest,

                                   Was Sonnenlicht und Luft,

                                    Die Körper überflutend,

                                    Und offenbarend Daseinsrätsel,

                                    In flücht'gen Augenblicken malen.

Oog en hart van Johannes, hooren wij hier, stonden open; het wezen der dingen, zoo zag Maria, appelleerde aan den zenuw-zintuigen- en aan den rhythmischen mensch, den hoofd-, en den mildden- of borstmensch. Echter:

                                    Noch war gelenk nicht deine Hand;

                                    In derber Farbenpracht

                                    Nicht konnte sie verkörpern,

                                    Was lebensvoll vor deiner Seele schwebte.

Dat wat Johannes als leer had opgenomen en wat hij oefenend, in zijn ziel betrokken had, het stelde hem in staat, openbaringen van "Daseinsrätsel" den dingen te ontlokken, die vluchtig over den bui- tenkant ervan henen strijken en die dan, vol leven, hem vóór de ziel bleven zweven. Tot in den ledematenmensch, de hand, den wilsmensch het te voorsehijn gelokte wezen der dingen te betrekken en zich ermede te assimileeren – daartoe ontbrak Johannes nog de kracht. – Maar:

                                     In unsrer beider Herzen lebte doch

                                     Der schöne Glaube,

                                     Dass sicher dir

                                     Die Zukunft bringen müsse

                                     Die Kunst der Hand zur frohen,

                                      In des Geschehens Grund

                                      So innig-tief ergossnen Seele.

Bij de, in den grond der dingen zoo toegewijd verzonken ziel, zou de toekomst Johannes brengen "die Kunst der Hand", zoo verwachtten hun beider harten. Vereenigen zou zich met de zoekende ziel het kunnen der hand. In zijn kunst zou Johannes openbaren, wat zijn ziel opving; in de geschouwde "Farbenpracht" der dingen zou hij ze vangen en vastleggen. Vol vertrouwen in de kracht, die voor het werk van Johannes zou uitgaan van den leeraar, tot wien ze hem geleid had, leefde Maria naast Johannes voort. Dat, wat de "Forscherkraft" van den Benedictus-geest te openbaren vermocht van het wezen van het zijnde — mèt Johannes heeft zij zich voorgespiegeld, dat Johannes het in zijn kunst zou belichamen en dat het vandaaruit "Seelenwonnen in Menschenherzen giessen werde". Men lette op: Vóór het staan aan den drempel, vóórdat Johannes en zijn medewerkers geschakeld worden, kunnen Johannes en Maria, Johannes en zijn leidende zielekrachten, niet verder zien en niets hoogers verwachten en nastreven als Johannesdoel dan dat hij het werktuig worde, door hetwelk dat, wat Benedictus vorscht, uit geestelijke werelden, heenstroome, om zich in menschenharten uit te gieten als vreugden voor de ziel. Johannes als kunstenaar, weldadig werkend voor het menschenhart door wat hij over geestelijke werelden vernam.

Wij, die getracht hebben, mèt Benedictus te schouwen, voor wélk daadwerkelijk werk aan de menschheid Johannes is voorbes:temd, wij weten, hoe dit iets is, dat ver uitgaat bóven wat Maria, aan déze zijde van den drempel, als ideaal voor Johannes kon koesteren en dat zij aldus uitdrukt:

                                        Der Zukunft Heil im Spiegel höchster Schönheit,

                                         Entspringend deinem Können:

                                         So malte deiner Seele Ziel die meine sich.

Wàt moet in waarheid Johannes' "Können" ontspringen? d.w.z. wàt moet hij met zijn heele mensch-zijn tot stand brengen? Een schrede vooruit in Christusverwerkelijking aan zichzelven en daarmede en daardoor aan de menschheid. "Helden"-daad is: iets van wat door den Heiland als kiem in de aarde is gelegd, onder de menschheid tol leven brengen. Het werk van den Heiland, "das Heil der Zukunft", moet niet slechts "im Spiegel höchster Schönheit," geopenbaard worden, het moet, zich niet slechts spiegelen als schijn. Het heil der toekomst wordt den Held toevertrouwd, opdat het opsta uit zijn kracht, uit zijn kunnen. Zoo ook eerst uit zijn kunst. Dit is het ware, door Maria toentertijd nog niet bevroede "Ziel der Seele" van Johannes. Pas in het 3e bedrijf, "im Meditationszimmer", wordt aan Maria, doordat Benedictus haar over haar eigen Schicksal spreekt en ze, in samenhang daarmede, de poort van de geestelijke wereld binnenvliedt, de mogelijkheid gegeven, de ware zending van Johannes te herkennen.

Dat Maria de waarheid nog niet vermoeden kan; dat ze nog niet bewust beseft hel deel, dat Johannes nemen moet aan het werk van den Heiland als verlossingswerk voor de menschheid, daarheen wijzen dan ook de nu volgende verzen. Die, al is het dan zónder zich volkomen vast te leggen, ervan blijk schijnen te geven, dat Maria de waarheid, dat voor alle heil, dat op wil staan, een sterven moet worden doorgemaakt, niet op Johannes betrekken kan. Men lette hier wederom op de formuleering, die ten slotte tóch Maria Johannes' toestand doet schilderen als schijn, daarmede bevestigencl, waar we eens reeds op wezen: dat al, wat in een mysterie-gedicht gezegd wordt, leterlijk met de waarheid overeenstemt, innerlijk:

                                      Und nun ist wie erloschen

                                       In deinem Innern alle Kraft,

                                       Wie tot ist deine Schaffensfreude,

                                       Gelähmt fast scheint der Arm,

                                        Der jugendfrisch vor Jahren

                                        Den Pinsel kräftig führte.

Zoo is het inderdaad: slechts "wie erloschen" is de kracht van Johannes; "wie tot" is zijn scheppingsvreugde; verlamd schijnt de arm. Het gaat door een sterven heen, dat den schijn van dood wekt. Omdat Johannes het heil der toekomst, de verchristelijking, niet slechts in hoogste schoonheid spiegelen moet, maar ze in zijn innerlijkst ervaren, zich eigen maken, om ze op aarde te verwerkelijken, ze onder de menschheid tot stand te brengen, is het dat innerlijk van hem, dat in het gedrang komt. In dat innerlijk is alle kracht als uitgedoofd. Na Johannes' ontwaken, niet slechts als kunstenaar, maar als mensch, in het gebied van den geest, in het 7e bedrijf – al is dat, vergeleken met de schreden, die zullen volgen, nog maar een primair ontwaken – zal blijken, dat uit dat innerlijk een nieuwe kracht is geboren. Men zie, hoe in het 8e bedrijf Johannes in staat is, door een — uit een herboren innerlijk — nieuw kunnen Capesius diens wezen te openbaren met dezelfde daad Strader aan de "Grenzen der Erkenntnis" wakker te schokken. Daarmede meteen blijk gevend, dat ook zijn scheppingsvreugde eens slechts "wie tot" geweest, is, omdat ze ervoor stond, op een hoogeren trap opnieuw te ontspringen. Terwijl aan diezelfde daad de woorden van Estella in het tusschenspel: "Und aus einem hoffnungsvollen Menschen wurde eine Lebensruine", bewezen worden te zijn als de woorden van de tot "spiritus" onmachtige, die slechts het sterven, niet het "herboren-worden" mee kan maken. Het schiint slechts, of de arm, die de hand voeren moet, opdaL ze de aarde, de stof, aanvatte en zich ontplooie, verlamd is. Nadat Johannes' geest in de wereld van den geest is ondergedoken en opgedoken, heeft zijn hand het penseel met nieuwe kracht gegrepen. Waar Maria sprak: "Wie tot ist deine Schaffensfreude", dekte dit evenzeer de waarheid als waar in het tusschenspel Estella over wat zij kan waarnemen, aan Sophia vertelt, dat het feit, dat Johannes steeds meer tot de overtuiging komen moest, dat Maria's "edle Freundschaftsempfindungen sich nie in leidenschaftliche Liebe wandeln könnten", hem "alle Schaffensfreude aus der Seele trieb". Zooals het woord, de tale van den mensch zijn trap aangeeft, zoo doet het zijn liefde, de aard van zijn liefde. De noodzakelijke Ioutering van Johannes' liefde, deze ontwikkelingsweg der bevrijding, dreef hem inderdaad alle scheppingsvreugde uit de ziel. Opdat ze in den geest zou opstaan. Zoodat op hoogeren trap, uit den geest, geschapen zou worden.

Voor het moment echter bevestigt Johannes in zijn antwoord aan Maria haar indruk, terwijl voor den fijnen luisteraar ook door zijn woorden de waarheid klinkt, dat het slechts schijn is, dat uit het eens zoo sensitief-open oog en hart het leven verdwenen zou zijn. Een schijnbare verlamming van leven, omdat slechts positief is, dat dat leven niet doordringt tot in de eigen menschelijke diepten, in den ledematen-wilsmensch, waar het opstaan beleefd moet worden, tot den geest. Zoodat het slechts "wie verschwundene" vuur der ziel zich wederom doet gelden, ter verwerving van weer nieuwe geest.

                                Ich fühle wie verschwunden

                                Der Seele früh'res Feuer,

                                Und stumpf nur schaut mein Auge

                                Den Glanz der Dinge,

                                 Den Sonnenlicht verbreitet über sie ...

Wat eens als een erkennen van de kleuren als "Taten und Leiden des Lichtes" een vreugdevol ziele-ontwaken had beteekend, een belevenis voor het oog, voor den zenuw-zintuigenmensch – het moest zijn vreugdeglans verliezen en een dof op den buitenkant staren worden, wanneer het niet op den duur den ganschen mensch aangreep en in beweging bracht. En voor wat den middenmensch, den borst- of rhythmischen mensch betreft:

                                 Fast, fühllos bleibt mein Herz,

                                 Wenn wechselnde Luftstimmung

                                  Hingleitet über meinen Umkreis.

Dat alles nog niet verloren is, dat er voor den wilsmensch nog de mogelijkheid is, in de ledematen op te staan, ligt aangeduid in den toestand van het hart, den midden-mensch, vanwaar ten slotte alle recreatie moet uitgaan. Het is nog niet on-ontvankelijk, niet dood. Slechts als fast fühllos moet Johannes het benoemen. Men zou kunnen zeggen: es regt sich noch etwas im Herzen. Wat zich slechts niet "regt" en wat door Johannes dan ook waarheidsgetrouw wordlt uitgedrukt is: de hand, dat wat op aarde zet, de ledenmaten-wils-mensch :

                                  Es regt sich nicht die Hand,

                                  Zu zwingen in die bleibende Gegenwart,

                                  Was flüchtig Elementgewalten

                                   Aus Daseinsgründen zaubern vor die Sinne.

Wat Johannes, door zijn ontwikkeling tot dan toe, uit ondergronden van het zijn, vluchtig voor zijn zinnen getooverd kan krijgen — hij kan het niet voor de aarde vruchtbaar maken. Hij, de kunstenaar, kan niet tot scheppen komen. Omdat de seheppingsvreugde zich in zijn ziel op den duur niet handhaven kon, eruit verdreven, "wie tot" is:

                                   Es quillt mir lustvoll

                                   Nicht mehr der Schaffenstrieb

                                   und Dumpfheit breitet über all mein Leben sich.

De mensch, die alle krachten der twaalf om hem heen, in zich in evenwicht en harmonie brengen moet, moest als kunstenaar worden voorgesteld. In en vanuit zijn centrum, door de krachten van het midden, moot de harmonie bewerkt worden. Op de rhythmische krachten van het midden komt het voor den kunstenaar aan. Dáár zijn kunstenaar en levensheld één. Het werk, waar de held van het mysteriedrama als kunstenaar aan werkt, is het menschen-beeld. Waar Johannes de schijnbare debâcle van zijn kunstenaarschap besluit met de woorden: "Dumpfheit breitet über all mein Leben sich", geeft hij, juist waar het de woorden van den mysterie-drama-held aan den drempel zijn, de identiteit van zijn kunst en zijn leven aan.

We kunnen, na al wat we reeds trachtten aan te voeren om Johannes te karakteriseeren als harmoniseerende-in-het-midden, meteen hier thans de aandacht erop vestigen, dat weliswaar Johannes in zekeren zin in staat tusschen Capesius en Strader, dragers van de hoofd- en de ledematenkrachten, van den boven- en den ondermenseh (om een gebrekkige 'vertaling van "den oberen und den unteren Menschen" te gebruiken); maar dat hij niet, gelijk Capesius en Strader overwegend-eenzijdige dragers zijn, ook eenzijdig drager van de middenkrachten is. Zouden wij ons een cirkel denken als beeld van den vollen mensch, die in het drama door het mysterie-milieu gedragen wordt en naar steeds hooger verwerkelijking gevoerd, en zouden we een kruis oprichten in dezen cirkel, dan zouden we bovenaan den verticalen balk Capesius moeten plaatsen, onderaan Strader. Aan de uiteinden van den horizontalen balk zouden we, als overwegend eenzijdige representanten van de middenkrachten Felix en Felicia Balde hun plaats moeten geven. Tusschen hen beiden in, in het middelpunt van cirkel en kruis, als de machtig worstelende spil, Johannes. Het Balde-huisje, waarin Felix en Felicia vereenigd leven, is de zuivere woning, de maagdelijke bodem, der middenkrachten van den mensch, der hartskrachten, welke – oorspronkelijk vèr van de menschen, in "erquickend stiller Einsamkeit" (Capesius in I, eerste bedrijf) – als woning voor den Christus wordt voorbereid. Niets dan bewoners van het Balde-huisje, dragers van den middenmensch, hoeders van de kern zijn de Baldes, deze twee-eenheid in hun eenvoud. Over wie nog veel gecompliceerds gezegd zal moeten worden, opdat ze in hun beteekenis voluit oprijzen. Wat, na het wederwoord van Johannes, dan Maria wederom spreekt en vervolgens Johannes en nogmaals Maria, voordat de verdere personen de een na den ander den kring tot aanzijn komen brengen, wordt in z'n formuleering pas doorzichtig, als men, in het 3e bedrijf, mèt Maria de oplossing van het raadsel van haar leven uit den mond van Benedictus vernomen heeft. Dan pas bewondert men volledig, hoe nauwkeurig de weergave is van dat, wat die beiden, Johannes en Maria, nog ondoorschouwd gevoelen en ervaren. Wat reeds, aan de eerste woorden van Maria beleefd kan worden:

                                 Beklagen muss ich tief,

                                 Dass solches dir erwächst aus allem,

                                  Was mir das höchste,

                                  Was Strom des heiligen Lebens mir ist. 

Geestesoogen moeten in de menschenzielen ontkiemen, brengt in het 3e bedrijf Benedictus Maria in de Imerinnering. Daartoe moest neerdalen in het aardrijk een Godswezen; d.w.z. de drager van die nieuwe menschheidseigenschap, van een gave, die thans nog bij de goden berust, die dus een goddelijke kracht, is. Een god moet die zaadkorrel neerleggen in het wezen van een mensch. "Eines Menschen Fleischeshüllle" moet dat goddelijke opnemen, opdat het op aarde aanwézig zij, vanuit dien éénen lijfelijken mensch zich uitwerke onder de menschheid, de mogelijkheid krijge, metterdaad menschheidseigenschap te worden. – Tot het opnemen van "des Gottes Samenkraft" in haar ziel, was Maria uitverkoren.

Daarmede is de zending van Maria gestipuleerd. Zij, die eens de leer en de daad van het Christendom aan de nog heidensche menschheid bracht – zij moet, nu een nieuw stuk Christendom geopenbaard en gerealiseerd moet worden, dat verder stuk kerstening op zich nemen. Zij moet Johannes wijden tot het door hem te volbrengen menschheidswerk. De nieuwe goddelijke kracht moest door Maria's ziel opgenomen worden, opdat ze, uit Johannes' worsteling, menschheidskracht zou worden. Door voorafgaande levens is deze voor zijn taak in dit leven voorbereid. De trap van zljn ziel vereischt en schenkt: als de vrouw naast hem Maria te mogen treffen, zijn apostel van weleer, wier wezen haar ertoe bestemde, de voor zijn werk aan het menschenbeeld noodige goddelijke kracht op te nemen, als inauguratrice van Johannes. En daarmede van heel het esoterische milieu. Waarvan het werk dan werkzaam wordt voor al wat exoterisch is, voor heel het menschdom.

Dat, wat Maria licht moet brengen tot het doorschouwen van haar situatie (welk licht dan echter meteen door den "Widersacher" verduisterd wordt), zijn de slotregels van Benedictus' antwoord op haar smeeken om licht – die machtige verzen:

                                 Und nun begreife, dass dein Wesen

                                 Sich wandeln muss zum Gegenbild,

                                 Ergiesst aus dir es sich in andre Wesen.

                                 Der Geist in dir, er wirkt in allem,

                                  Was für das Reich der Ewigkeit

                                   An Früchten reifen kann im Menschenwesen.

                                   Ertöten muss er darum vieles,

                                   Was nur dem Reich des Zeitenseins gehören soll.

                                   Doch seine Todesopfer

                                   Sind Saaten der Unsterblichkeit.

                                    Dem höhern Leben muss erwachsen,

                                    Was aus dem niedern Sterben blüht. 

Déze woorden vormen de kern van wat tot begrip van de verdere samenspraak van Maria en Johannes in het 1e bedrijf dienen kan. Dat, wat de geestesvorscher uit geestelijke werelden haalt en aan den Johanneskring openbaart, Maria hoort het en neemt het op met de goddelijke kracht, die in haar woont. Voor haar beteekent het daardoor "das höchste Leben", "Strom des heiligen Lebens". In Johannes veroorzaakt het een sterven. Omdat geofferd moet worden, wat "nur dem Reich des Zeitenseins gehören soll", opdat het – als offer "Saat der Unsterblichkeit" – dem höhern Leben erwachse".

Wat met kennis van het 3e bedrijf Clan aan het verdere van Maria's rede beleefd kan worden, moet tot den volgenden Commentaarbrief bewaard blijven.

                                                                                     *          *

                                                                                          *

Noot.

Toegevoegd moge nog worden, voor de Grieksch-minnenden, dat in den vorigen Commentaarbrief kortheidshalve de nimf Kalypso slechts als het wezen werd aangeduid, dat de geestelijke wereld blijft toedekken (Grieksch kaluptein), aangezien zij representante is van weliswaar een kracht van den geest, dien de strevende mensch, in casu Odysseus, vindt, maar slechts gekluisterd blijft, zoolang de zin voor het hooger geestelijke noch niet in hem is ontwaakt. Terug naar het zintuiglijke kan hij ook niet meer, hij heeft de smaak ervoor verloren. In waarheid dekt het wezen van Kalypso twee werelden toe: die van het hooger geestelijke èn die van het aardsche. Wat, als we precies willen zijn, haar naam ook uitdrukt. De uitgang hiervan, ω, de omega, de "groote" o, lis een samensmelting van de alpha en de o-mikron, van de a en de kleine o, de o tout court; van de A als het menschelijke, den mensch, met de O als uitdrukking van het goddelijke. Dat, wat des menschen is, wat aardsch is, èn wat der goden is, houdt het wezen van Kalypso verborgen, toegedekt. Deze dubbelheid van wezen kan men in alle benamingen met de omega tot uitgang constateeren.

Grondeloos-eenzaam was dat, wat als herinnering bleef van het op een Böcklin-tentoonstelling in Bazel eens aanschouwde schilderij: Odysseus op het eiland van Kalypso. Die stille, donkere figuur aan het verlaten strand — de kunstenaar heeft de afgeslotenheid naar alle kanten, belééfd en vertolkt.

terug naar Publicaties