terug naar "Publikaties"
Commentaarbrieven IV
COMMENTAARBRIEVEN BIJ DE MYSTERIE-DRAMA'S
VAN
RUDOLF STEINER
DOOR
ADELYDE CONTENT.
"DIE PFORTE DER EINWEIHUNG"
IN AANSLUITING AAN HET EERSTE BEDRIJF - JOHANNES EN MARIA
VIERDE BRIEF, Februari 1947
Met woord en wederwoord van Maria en Johannes Thomasius vangt de "Pforte der Einweihung" aan. De ziel van Johannes, het element, dat den aardschen mensch naar den geest voert, Maria, treedt in wisselwerking met dezen aardschen menseh, strijder om den geest. Men kan ook zeggen: Van het drama vangt het, eerste tafreel, dat Johannes' staan aan den drempel beteekent, aan met een tweegesprek van Johannes met de eigen ziel. Het is de ziel zelve van Johannes, die zich uit, als Maria het bedrijf opent.
Om wat hier, aan den drempel, tusschen Johannes Thomasius en de hem leidende zielekracht wordt uitgesproken, volkomener te benaderen, kunnen we ons verwezen voelen naar een bepaalde plaats in de drama's, die we een kernplaats kunnen noemen en die we dan ook steeds levend in ons bewustzijn zullen moeten houden. Dat is de plaats in het 7e tafreel van de "Pforte der Einweihung", waar Johannes, voor het eerst imaginatief doordringend in de wereld van den geest, door de persoonlijkheid, die in den karmischen kring om hem heen het schouwend vermogen representeert, Theodora, hoort verkondigen een door haar daar aanschouwd gebeuren. Dat wat Johannes zelve zoo schouwt en hoort onder het beeld van de verkondigende Theodora en waarvan Maria weldra tot hem zeggen zal:
Johannes, was dir 'dämmert,
Zum Vollbewusstsein sollst du es erwecken
is de openbaring, die hem — bij het eerste ontmoeten-kunnen van Maria's werkelijk wezen, haar geestesgedaante, in de geestelijk wereld — geschonken kan en moet worden over de waarheid van hun verbinding. Over een leven van hen in de eerste na-Christelijke eeuwen voelt Theodora zich "gedrängt zu sprechen". Dáár ligt de kiem van wat zich in dit leven moet uitwerken.
Een Rückschau, een terugschouwen in een vorig aardeleven, brengt precies dát, wat op het eigen moment de ziel noodig heeft te zien. Alle dagelijksheden van het leven van toen zijn weggevallen; een zeker geïdealiseerd beeld, een bloeiende essence van wat eens in langeren levensstrijd werd doorgemaakt, dat, wat de quintessence ervan beteekent, rijst en spreekt tot het bewustzijn van hem, die de Rückschau ervaart. Wat Theodora verkondigt uit hun beider vroeger leven, is dan ook precies dat, waar het thans voor Johannes en Maria op aankomt te weten, een in een geweldige "Rückschau" saamgevat, ingrijpend gebeuren in dat leven van toen. — Uit Hybernia's gewijde oorden, uit dat Ierland, over welks zin als mysterieplaats — vanwaaruit een zoo intensieve strooming tot kerstening van Europa uitging — Rudolf Steiner duidelijk gesproken heeft, kwam als zendeling naar heidensche stammen in deze Europeesche streken Maria. Een manlijke incarnatie, die in het drama gegrepen wordt op een beslissend moment voor hen beiden en Johannes voor de geestelijke oogen gezet. Johannes, die toentertijd leefde in een van die heidensche stammen in een vrouwelijke incarnatie. Het is het moment, waarop de boodschap
von dem Menschengotte,
Der zu der Erde niederstieg
und der den Tod besiegte
op de aarde door Maria aan Johannes wordt gebracht. In den tijd, dat die boodschap eerst aanving als Evangelium, als Goede boodschap, over Europa verbreid te worden. Als heidenapostel kwam Maria tot Johannes; we benaderen de waarheid, als we Maria ook in dit leven heidenapostel ten opzichte van Johannes zouden willen noemen. Zij zet, uit de geheime oorden van het Christendom, haar werk aan Johannes voort. In laatste instantie is al, wat Maria als doel voor oogen houdt en tracht te verwerkelijken, het omzetten van wat des heidens is tot het waarachtig Christelijke.
Op welke wijze wordt de waarheid van hun verhouding tot Johannes gebracht?
Theodora verkondigt over een "geisterfüllten Mann", d.w.z. een mensch op aarde; van den Christus vervuld, een verkondiger op aarde van het Evangelie. Zij schouwt hem onder de heidenen: Maria als apostel. En zij vervolgt, hoe zij Johannes ziet:
Vor ihm erblickt mein Auge
Ein Weib, das in Ergebenheit
Den Worten lauscht,
Die aus des Mannes Munde kommen.
Den Worten aus des Mannes Munde, het op aarde verkondigde Evangelie – Johannes hoort het toe "in Ergebenheit". Getroffen, toegewijd verneemt Johannes de blijde boodschap, het woord om- trent den Christus.
Maar dan zal nog iets anders geschieden, iets wat boven de mededeeling van dat, wat in Palestina is geschied, uitgaat. Theodora schouwt onder de heidenen ook het kind, dat in de tegenwoordige incarnatie bij Maria opgroeit, haar "von seiner unbekannten Mutter vor die Tür gelegt" (3e tafreel). Of het toentertijd in dien heidenschen stam als man of als vrouw leefde, staat niet aangegeven; al krijgt men, bij het wraak zweren tegenover den apostel, meer den indruk, met een manlijken heiden te doen te hebben. Het zou er ook niet toe doen, als hier niet opmerkzaam gemaakt moest worden juist op de neutrale aanduiding van het pleegkind in de incarnatie van toen als "Heidenherz"; en even later: "ich kann erkennen dieses Herz". Op hel feit, dat we met een heidenhart te doen hebben, wordt de nadruk gelegd; het doet er niet toe, of het een heiden of een heidin was, het is een heidenhart, waarvan gezegd moet worden:Das schwört dem Manne Rache.
Den man, den werker op aarde, wordt op de aarde wraak gezworen door een hart. En dat hart herkent Theodora: in het kind, dat zich aan Maria's zijde "schmiegt". Een beeld van steun-zoeken. En zij verkondigt verder:
Es spricht zu ihm der Christusbote
("zu ihm", dat wil dus zeggen: tot het hart, "zu dem Heidenherzen", wordt gesproken):
"Dein Schicksal will es nicht,
Dass du mir nahst in diesem Leben;
Doch warte ich geduldig,
Dein Weg, er führt dich doch zu mir."
Das Weib, das vor dem Manne steht,
Es fällt zu dessen Füssen;
Verwandelt fühlt es sich.
Es betet eine Seele zu dem Menschengotte;
Es liebt ein Herz den Gottesboten.
Wat gebeurt hier in waarheid? Tegenover het "dem Manne" wraak zweren door het heidenhart – een wraak aan den brenger van evangelie op aarde, aan het evangelie zelf – stelt de apostel een Christelijke daad. Daarmede de tot hem uit het heidenhart geschoten wraakschicht brekend. Hij richt n.l. tot dat hart het vertrouwen, dat zijn weg — wat zijn Schicksal thans verbiedt — het eens, in een volgend leven, tot hem zal voeren. Zóó werkzaam is dit woord van den apostel Maria tot het hart van den heiden gesproken, dat dit voor de incarnatie in ónzen tijd — dit gewichtig tijdsgewricht voor de houding van de menschheid tot den Christus — zijn weg vond naar den apostel, naar Maria. Als vondeling, hulpeloos, voor haar deur gelegd.
In dit verband zij herinnert aan wat Rudolf Steiner vertelt over de steeds mogelijke karmische uitwerking van de smart, die iemand doorleven kan, die een ander geestelijk zou willen benaderen, helpen, maar in die poging wordt afgewezen. Dit kan zich zóó uitwerken, dat de afwijzende in een volgend Ieven als een debiel, eeuwig zorgenkind bij de in het hart verwonde afgewezene geboren wordt. De laatste mag nu de eindelooze moeiten van helpen en heelen op zich nemen. Een evenwichtsherstel, waarvan het geluk het begrip voor het geluk, alleen maar gevat kan worden door wie boven logisch te beredeneeren rechtvaardigheidswetten weet te beleven.Aangestipt zij hier nog, hoe dat, wat in dit leven imponderabel lijkt te liggen tusschen Maria en het kind en wat een innerlijke toenadering in den weg staat, wordt opgeheven door het wezen van Theodora, de draagster van het vermogen, den aetherischen Christus te schouwen: Christelijk beleven in onzen tijd. Als in tegenwoordigheid van het kind "Theodora Begeisterung erfasst" en het kind schouwen kan "der Augen glimmend Licht" — hetwelk den Christus in aethergedaante bereikcn en opvangen kan — hooren we:
Erschüttert bis ins Lebensmark
Empfand die junge Seele sich.
De "jonge ziel", het heidenhart, is op nieuwe wijze door den Christus geraakt. Dáártoe bevond het zich in de nabijheid van Maria, van den "heidenapostel" als leidende figuur in het centrum van den kring, waar het den-aetherischen-Christus-schouwend-vermogen gerepresenteerd moest zijn.
Als zielezorg eischend kind in de omgeving van Maria opgroeiend, leeft het kind echter in deze incarnatie tegelijk in de nabijheid en onder de hoede van Johannes, aan wien het, al was het Judas- gewijs, in de vroegere incarnatie een dienst heeft bewezen. Want door de Christelijke, aan den heiden volvoerde daad, waartoe de apostel door diens gedrag de mogelijkheid kreeg, kan dan over "ein Weib, das in Ergebenheit den Worten lauschte", Theodora nu uitzeggen:
Das Weib, das vor dem Manne steht,
Es fällt zu dessen Füssen,
Verwandelt fühlt es sich.
Van het opnemen van de leer komt door de daad van den apostel de heiden Johannes tot het "verwandelt" worden. Knielend aan de voeten die, schrijdend over de aarde, bemiddelaars zijn voor de verbreiding van het evangelie, maakt Johannes principiëel, aan het begin van zijn Christelijken inwijdingsweg door de levens heen, het sterven en wedergeboren-worden door. In Christi morimur. Per spiritum sanctum reviviscimus.Hier en op deze wijze ligt de verhouding tusschen Johannes en Maria op aarde verankerd. Uitgedrukt in:
Es betet eine Seele zu dem Menschengotte;
Es liebt ein Herz den Gottesboten.
Het ontvangen-hebben van het evangelie van Maria door woord en daad is dat, wat Johannes aan Maria bindt, voor alle levens, op aarde en in het andere land. "Die Seele betet zu dem Menschengotte. Das Herz liebt den Gottesboten." In tegenstelling tot het verstokte heidenhart van den ander "liebt" thans dit hart. Het "liebt, den Gottesboten". Dát is het, wat Maria voor Johannes is en alleen maar zijn kán: "Gottesbote, Christusbote." "Selbsterkenntnisweg" van Johannes is, te ervaren, wat hij in waarheid in Maria zoekl en liefheeft: den Godsbode, die hem voert tot den Christus. Daar de opgaaf van deze planeet – zooals die in haar voorafgaanden toestand, den maantoestand, in het ontwikkelen der wijsheid lag – in haar aarde-phase ligt in de ontwikkeling van de liefde, is de strijd van een held, van een Faustmensch, in laatste instantie een strijd om de Ioutering van het liefde-element in hem. De ontwikkelingsweg der menschheid verliep zóó, dat die heldenIoutering onder het beeld van de Ioutering der liefde voor een bepaalde vrouw moet worden gebracht. Door vele "Stufen" moet Odysseus heen, over "eilanden" van steeds hooger wezens, vóór hij zijn Penelope hervindt. Wat Faust zoekt en stervend vindt, is Gretchens Unsterbliches, das Ewig-weibliche. Johannes' esoterische ontwikkeling wordt ons gebracht onder het beeld van den strijd om de metamorphosen zijner liefde voor Maria. Tot in het 4e drama toe moet Maria tot Johannes spreken:
Maria, so wie du sie schauen willst,
Ist sie in Welten nicht, wo Wahrheit leuchtet, (2. Bild).
Dit niettegenstaande we zeggen moesten, dat reeds daar, waar het mysteriegedicht aanvangt, de held de roman-Stufe heeft overwonnen. Voor den held van een inwijdingszang hebben de woorden een anderen, een dieperen zin dan den gangbaren. Na het overwinnen van de zoogenaamde roman-Stufe ligt nog een lange weg open vóór in waarheid de liefde van het bloed aan den geest is overgegaan. Slechts wie een "Ahnung" heeft van de grondelooze diepte van "Selbsterkenntnis" kan tot een Ahnung komen van de verpletterende dramatiek, waaróm in het 5e tafreel van II Johannes' Doppelgänger een Erkenntniszoeker en strijder van het formaat van Johannes Thomasius aan het oor moet ruischen :
Ich liebe dich, Maria …..
Mit pochendem Herzen,
Mit fieberndem Blute
Nur kann ich vor dir stehn …..
Waarover Johannes, – getuigend, zooals een elk, die zijn gezindsheid tegenover Maria bijgewoond zou hebben en zou meenen te kennen, getuigen zou – ontzet zich uit als over
Ein lüstern Zerrbild meiner Liebe,
Die mir so heilig ist – – –
Waarop de Doppelgänger onverstoord zich verder moet doen hooren als stem uit Johannes' ondergronden tot Maria:
…..Und wenn du sprachst von Seelenwegen,
Erfüllte mich die Seligkeit,
Die stürmisch wogt im Blute – – –
Tot, gelijk de Doppelgänger; ook de "Stimme des Gewissens" uit Johannes losbreekt :
So spricht verschwiegene,
Doch nicht vertriebene
Vom Schein gemiedene
Im Blut gebliebene
Geheime Kraft
Der Leidenschaft.
Dit is Johannes' ontwikkelingsweg: zijn liefde voor de hem leidende vrouw te Iouteren tot de zuivere liefde voor haar als Christusbode. Zou Maria één moment wankelen voor den waan, waarin Johannes ondanks alles bevangen blijft, zou zij één oogenblik ook maar met de geringste gedachte zieh verhouden tot Johannes als dat wezen, zooals hij haar in het diepst van zijn wezen nog "schauen will", dan was het met het werk, dat onder Maria's leiding volbracht moet worden, gedaan. De strijd, daarmede de taak van Johannes, ware verijdeld. De Christusbode van eens heeft ook in dit leven voor Johannes slechts Christusbode te zijn.
Dat, wat de Faustmensch, de naar Ikverwerkelijking strevende, in waarheid zoekt in de vrouw naast hem, zijn ziele-element, is leiderschap naar den geest, naar den Christus.
De ziel zelve dus van Johannes spreekt het eerste woord in het drama, zich tot den mensch wendend, dien zij te leiden heeft, dien ze ziet "welken an Geist und Seele". Zoozeer vormt Maria met Johannes een eenheid, dat ze zeggen kan:
Ich konnte nach so manchem Worte,
Das unser Redner eben sprach,
Im eignen Herzen mitempfinden,
Wie tief es dich verwundet.
Het woord, de rede van Benedictus – "den Redner" – dat voor allen, die gekomen waren, waar karma hen riep, op dat moment een zoo beslissenden zin had gehad, Johannes heeft het, datzelfde