terug naar Publicaties
Dbnl, "Op de Hoogte", Kerstnummer 1922, blz. 276
UIT DE LEERSCHOOL VAN HET GOETHEANUM.
III. GEDACHTEN NAAR AANLEIDING VAN HET GOETHEANUM ALS EERSTE PROEVE EENER ORGANISCHE ARCHITECTUUR.

Uit uw gemoedelijke huiskamer, waar dit maandschrift volgens een ouden bijtitel heeft binnen te loopen, uit dit centrum van uw zelfgenoegzame Ikheid, is het thans mijn taak u te voeren naar dat gebouw, dat bedoelt u weg te lokken uit alle egocentraliteit, dat daar in het middelpunt van Europa staat, in z'n bouw en z'n intenties, als een centrum voor de algeheele menschheid. En ik voel me geenszins beschaamd, dat ik de rust van uw binnenkamer verstoren kom — ik doe het met vreugde. Want de tijd der afgesloten binnenkamers, der eenzame ivoren torens is voorbij. En ik weet, wanneer ik het niet ben, met deze
BILD: Noordzijde van het Goetheanum. Men ziet hier duidelijk de structuur der twee ineengrijpende koepels
hooge zending, die het slot uwer afgeslotenheid ontveer — dat het dan op andere wijze springen moet, wreeder en tragischer. Indien ge een fijn gehoor hebt, hoort ge het rumoer uw slotpoort reeds naderen.
"Wanneer ik het niet ben"... zoo hoovaardig deze woorden mogen klinken, zoo weinig met betrekking tot de persoon, die ze uitspreekt, zijn ze bedoeld. Want die is slechts bode, vrijwillige bode. Die staat slechts met een zending aan uw poort, die wenscht slechts te getuigen. Omdat het nu eenmaal niet anders kan, wanneer men tijden lang in dit gebouw, dat Goetheanum heet, verwijld heeft en getracht heeft, zich in te leven in zijn geest — omdat het niet anders kan of men treedt dan vandaar naar buiten als getuige. Want daarbinnen is men zich bewust geworden, wat het beteekent, dat men mensch geboren is, als een mensch over de wereld gaat. Men is, in een flits van bewustzijn dikwijls maar, de wereld van mogelijkheden gewaargeworden, die in dit wezen in menschenstaat liggen opgesloten. Het was of men uitzette, uitvloeide, of, in plaats van dit eng, vleeschelijk gewaad, men dit machtig gebouw tot z'n physiek orgaan kreeg. Maar ze was zoo licht, zoo beweeglijk, deze nieuwe behuizing, ze liet zich niet voelen, ze belemmerde niet, grensde niet af, ze zette mee uit zoover als je geest wenschte uit te zetten. En je geest verkoos dat oogenblik, zich uit te strekken zoover als de groote kosmos, de makrokosmos, zich strekt. En je werd één met den makrokosmos. En toen je je krachten weer samengetrokken had, je bewustzijn weer geconcentreerd had naar je eigen physiek omhulsel en tot jezelf had gezegd: zie je klein en eenzaam hier staan, nietige sterveling — toen heb je met een stuggen ruk van je hoofd tegen je zelfkleineering geprotesteerd, en toegevoegd: Maar in dezen kleinen mensch leeft verdicht en verborgen al wat in het wijd heelal weeft en werkt — in dezen mikrokosmos ligt geconcentreerd de makrokosmos. En met den wil ben je naar buiten getreden, die een oogenblik bewust geworden mogelijkheden in je niet weer te laten glippen uit je aandacht — ze uit te buiten. En met het bewustzijn, dat je deze dingen niet voor jezelf alleen ontdekt had, dat je onder de menschen van de hooge waarde van den mensch te getuigen hadt.
Wàar te beginnen, wanneer je aan zult vangen van den "Bau" en zijn beteekenis te spreken? De gedachten stroomen je toe. Het geldt hier worstelen met een bruisenden stroom, worstelen met je materiaal. Om een gedegen beeld er uit te krijgen. Je roept het gebouw voor je verbeelding op, rondom je heen. Je tracht in rustige beschouwing den bruisenden stroom te vermeesteren, binnen zijn bedding te krijgen. Je verdiept je kalm en streng in het gebouw. Je polsen vangen aan te kloppen, je vingers bewegen vluchtig. Of ze boetseeren willen de vormen, na moeten sluipen de lijnen, die hier om je weven en welven. En tegelijk rijst er een kleine Ahnung in je, hoè Dr. Steiner uit zijn materiaal dit bouwbeeld er uit kreeg. Hoe hij, zijn doel voor oogen, in zijn materiaal ondergedoken moet zijn en met machtigen, maar strengwetmatigen wil er geworsteld, gewrocht, geschapen moet hebben. Zooals de Natuur zelve doelwaartsworstelt, wrocht en schept... in strenge wetmatigheid. En het is verwonderlijk te zien, hoe de starste materie, toen de met natuurwetmatigheid scheppende kunstenaarswil er in onderdook, voor dien wil bezweek, kneedbaar werd als was. Wat tegelijk al weer niet verwonderlijk is, wanneer men bedenkt, dat die natuurwetmatig scheppende kunstenaarswil is: de geest. En dat datgene, wat de geest als behuizing koos, waarin de geest arbeidt, z'n starheid aan dien geest ten offer brengt, "durchgeistigt" wordt.
We wezen er op, hoe het werk van Dr. Steiner een uitbreiding is van het werk van Goethe. En hoe het allergewichtigste van Goethe's heelen arbeid zijn metamorphoseleer is. Juist datgene, wat niet is verstaan. En toch — ligt hier de sleutel voor al, wat Goethe der menschheid naliet. Zoolang deze sleutel niet ter hand werd genomen, lag Goethe's testament verzegeld.
Dr. Steiner heeft den sleutel gehanteerd en het testament ontzegeld en ontsluierd. Maar niet, op de wijze der moderne geleerden, bleef hij tekstverklaarder alleen. Hij liet zichzelve mede opnemen in de door hem erkende Goetheaansche ontwikkelingen. En Goethe's leer metamorphoseerde zich tot een steeds grooter mogelijkhedenreeks, ontwikkelde zich tot Steiner's wijd-stralend ideeëncomplex. Maar niet bij woorden alleen vond Goethe's heraut voldoening. In daden moest Goethe's ontdekking omgezet, haar hoog belang moest bewezen. Waartoe men komen kan, wanneer men de metamorphose-idee in toepassing brengt, moest als een realiteit in de wereld gezet worden en den menschen te aanschouwen gegeven: het Goetheanum verrees. In waarheid een Goetheanum: Goethe's voor de plant gevonden metamorphoseprincipe gemetamorphoseerd tot dat van den mensch.
Toen Goethe de botanica van Linnaeus leerde kennen, stiet die hem, den springlevenden denker, innerlijk-noodwendig tegen de borst. Nooit heeft Goethe zich neer kunnen leggen bij een geestlooze materiebeschouwing, bij een dood denken. "De geest gaat hem op" zegt ons volk, wanneer het iemand opeens een klaar inzicht ziet krijgen. Een bewijs, hoe het onbewust het besef heeft, dat men het van den "aufleuchtenden" geest "hebben moet", dat het fijnst georganiseerd oog niet ziet waar de geest niet bij-licht. De waarneming door het zintuiglijk oog, de gedachte van het aan de hersens gebonden verstand, waren de door Linnaeus gebruikte middelen — Goethe "ging de geest op". En hij zag, dat twee bladeren van een plant niet twee zijn, omdat ze in vorm verschillen of omdat het een groen is, het ander rood. Met één blad hebben we te doen, de omstandigheden slechts gaven verschillende verschijningen. De plant begint met haar krachten in den grond te zoeken, groeit onder invloed van de krachten der aarde, dat geeft een groene gedaante. Maar de plant schiet omhoog, komt onder invloed van de zon, de zonnekrachten overwegen die der aarde: het blad wordt rood, de roode metamorphose van het groene blad. En zoo is het met de verdere, met alle organen der plant, wordt Goethe door zijn geest bij-gelicht, ziet hij, zooals hij dat noemt, in sinnlich-übersinnliches Schauen. Meeldraden, bloesem, de vrucht ten slotte, het is alles omgezet blad. Wat werkt in een enkel blad, werkt alzoo door de gansche plant: in het blad is heel de plant vervat, in de plant treedt het gemetamorphoseerd blad aan den dag. En aan hetzelfde metamorphoseerend principe is onderhevig al wat plant is. Zijn geen gunstige omstandigheden voorhanden, is voor een gewas de tijd niet beschikbaar om alle détails te differentiëeren, dan wordt de verschijning sponsachtig, dan treedt voor ons aangezicht de simpele paddestoel. Nu ben ik zoo wantrouwend, in dezen en genen van m'n lezers den aandrang te vermoeden, met het klassieke: Pariuntur montes, nascitur ridiculus mus, zich terug in zijn rustige binnenkamer te begeven. Dat ijdel rumoer daarbuiten(!) is dat nu waard van een verzegelde nalatenschap te spreken, welker niet-exploiteeren een ramp voor heel de menschheid moet beteekenen: dat in de plantenwereld metamorphose bestaat.... Ja, het is de naam van testament aan het menschdom waardig. Omdat nooit of te nimmer onder den fijnsten mikroskoop dit aan de plantenwereld ten grondslag liggend principe had kunnen worden waargenomen! Omdat in dit zijn getuigenis Goethe, de natuurgeleerde bij uitnemendheid, als eerste aantoonde de onvoldoendheid der meest geraffineerde stoffelijke instrumenten! Omdat Goethe voor het eerst op een, in casu in het plantenrijk, heerschende geestelijke kracht wees, die met elke poging tot waarneming door het stoffelijk oog en verdere stoffelijke middelen den spot dreef! Ten slotte: omdat Goethe's aan de wereld nagelaten boodschap die was van de voor de menschheid verloren gegane waarheid en wijsheid van den geest, die als werkzame kracht in de wereld arbeidt.
We leven in de eeuw, die de eeuw van Goethe is opgevolgd. Karakteristiek voor de grondigheid, waarmee het begrip van den geest als reale kracht van de wereld gevaagd was, is het feit dat in deze na Goethesche eeuw men nog er toe kwam, in karakteristieken een naam als "imponderabile" te inaugureeren. Imponderabilia, dingen die gewicht in de schaal leggen en die men toch niet wegen kan. De verwondering klinkt u uit het woord tegen. En het is een van onze moderne woorden, die met geestige verfijning worden uitgesproken, de eeuw na Goethe's glorieuze konde! Als getuigenis, waartoe men komen kan, wanneer men de idee van den geest als levende kracht in waarheid beleeft, staat het Goetheanum daar op den Jura bij Dornach. Geen blad, geen orgaan aan een plant is nabootsing van een voorgaand blad. Door de plant schrijdt de geest, die scheppend omzet en voortzet. In het Goetheanum is geen vorm aanwezig, die herhaalt of nabootst. Om het zeer concreet uit te drukken, op gevaar af m'n lezer, die juist aan het waagstuk der imponderabiliën toe was enden geest daar ergens in de lucht ziet zweven, opnieuw den zucht naar z'n ivoren toren te inspireeren (het luchtruim is zoo oneindig, nietwaar, zijn geest blijft altijd nog hoog genoeg boven zijn torenspits om de rust daarbinnen niet te verstoren) — om het zeer concreet uit te drukken: door het Goetheanum, van West naar Oost, schrijdt scheppend de geest van vorm tot vorm. Dit: dat de scheppingsdrift van den aanvang van het kunstwerk tot het uiterste einde vigent blijft, hebben ook de grootste bouwstijlen, tot op dezen tijd toe, niet gekend. De drift laaide aan den aanvang, zette het werk als idee voor den kunstenaarsgeest: de vorm was daar, het gold nog slechts, de idee te verzinlijken. Omgekeerd bij het Goetheanum. De scheppingsdrift baarde niet slechts aanvankelijk een vorm, hij, de scheppingsdrift, begaf zichzelf in het kunstwerk, schreed er rhythmisch door voort, den vorm achter zich latend.
De concrete geest in het werk. Ja, en zoo onwaarschijnlijk als het voor onzen tijd klinkt, hebben alle groote bouwstijlen toch hun verhouding tot dien concreten, imponderabielen geest uitgedrukt. Al was die verhouding, krachtens den aard van het algemeen bewustzijn in de eeuwen, die zoo'n stijl besloeg, voor den bouwmeester zoo vanzelfsprekend, dat hij ze zich als persoon niet bewust maakte. Uit de onbewuste verhouding tot den reëelen, geest schiep de Grieksche, schiep de Christelijke bouwkunstenaar zijn werken, niet ter abstracte vereering van een fantastischen geest of godheid daar ergens in de ruimte. Zoo'n persoonlijke abstractie had nooit de kracht bezeten, een wereldbouwstijl te scheppen. Alleen tijdperken, waarin de menschheid één van geest was in haar levensbeschouwing, d.w.z. waarin één geest reëel in alle menschelijke zielen leefde, zijn tot een eigen stijl bij machte gebleken. Hoe stond de Griek uit wat wij historisch "den Griekschen tijd" noemen, tegenover de geestelijke wereld? Zijn bewustzijn was bezig zich naar de aarde en de stoffelijke verschijningen te concentreeren, was reeds vrijwel onmachtig geraakt voor het geestelijk gezicht, hetwelk de menschengeslachten vóór hem als aanschouwingswijze bezeten hadden. Men bedenke, hoe het menschewezen nóg in zijn eerste jaren de dingen anders aankijkt dan wanneer het meerdere jaren de zijne noemt.
Een tweejarige kleine wees me op het hooggehakt, boetvaardig naast elkaar staand schoeisel, lichtgrijze bovenschoen en zwarte onderschoen, van een tegenoverzittende dame, met een verteederd : "lieve hondjes". Niet de zinlijke realiteit ziet het kind, maar de idee. En zoo goed als het menschelijk embryo alle stadiën herhaalt, die het wezen, dat we mensch noemen, eens doorworsteld heeft om tot den menschenstaat te geraken, zoo goed doorloopt de ten slotte horizontaal, met ongesloten schedel, zonder vermogen tot gaan, spreken of denken, in de wieg liggende van-menschen-geborene in snel tempo alle stadiën, die over een uitgestrektheid van aeonen den schakel vormen van den oermensch tot den aardbewoner op de tegenwoordige menschheidstrap. De vóór Grieksche mensch zou zoo min een paar nuchtere voorwerpen van gelooide hondeof andere huiden gezien hebben als m'n gelukkige kleine die zag vermogens haar tweetal jaren. Maar de Griek raakte in een overgangsstadium. Het reëele gezicht der idee ging hem verloren, de geest verduisterde achter de verschijningen. Ik spreek nu van den voorhistorischen Griekschen tijd. Wat uit het oude Griekenland voor ons historie werd, betreft den tijd waarin het zien van den geest achter de verschijningen vrijwel geheel verloren was gegaan. Resten dier oude helderziendheid bleven altijd bestaan, tot zelfs op onzen tijd toe. Maar eer dan van een vermogen diende men bij dit somnambulisme van onvermogen te spreken, daar het, sinds de menschheid-als-geheel het als vermogen verloor omdat het tijdperk voor een ander bewustzijn was aangebroken, slechts ten koste van andere, nieuwe vermogens, kon bestaan. Tot deze vermogens behoorden in de eerste plaats de zintuiglijke waarneming en het denken, het intellekt. Overzien we het panorama van den menschelijken bewustzijnsstroom, dan staat daar bij een knooppunt als eerste intellectueel Aristoteles.
De Griek was als het ware losgelaten door de geestelijke wereld,, de aarde was hem als zijn terrein aangewezen. Maar gedeeltelijk van uit een laatste rest helderziendheid, gedeeltelijk uit nog levende herinnering voelde hij zich nog nauw aan zijn goden verwant. Ook was hij niet maar zoo opeens van "aan de zijde der goden schrijdend wezen" tot zelfstandig individu gerijpt. Daarvoor waren nog vele, vele eeuwen noodig. Daarvoor had nog iets geweldigs te geschieden, opdat nog maar de impuls tot ontwikkeling der zelfstandige Ikheid daar zou zijn. Daarvoor had op de aarde zich het Mysterie van Golgotha af te spelen. Vooralsnog leefde de mensch, in casu de Griek, vergroeid met den bodem van het landschap, hem door zijn godheid als aardsche schouwplaats aangewezen. En tevens vergroeid met, ongescheiden van, de individualiteiten zijner medeburgers. En dan, uit het nog levendig gevoel van vergroeidheid met zijn godheid, die ook in dit landschap thuis behoorde, stichtte de oude Griek — uit het onbewust verband dus tot een eens reëel geschouwde geestelijke wereld — die godheid een woning in het midden van dat landschap. En hij heeft de gewaarwording: in dit huis is de god geestelijk aanwezig, in dezen tempel staat hij belichaamd. Als een altaar midden in het landschap staat daar de Grieksche tempel. De mensch bearbeidt zijn grond, verricht zijn handwerk: het zijn heilige, handelingen, ook zonder dat hij ter wijding optrekt naar het huis der godheid zelve. Alles, bodem, menschen, godheid, hijzelf, het is immers één. Daarginds staat het huis, waarin de godheid woning nam, het ideaal godenbeeld zetelt in de cella, voor hemzelf en z'n συμπολῖται (Mitbürger) is daar geen plaats. En zoo is het goed : de vorm van den tempel, belichaming van de godheid, geeft den mensch het besef, dat hij niet met de aarde alleen is, dat de geestelijke wereld hem nabij is. Maar de tijd komt, dat de geestelijke wereld zich nog meer van den mensch terugtrekt, zich nog meer voor hem verdekt. In dezelfde mate individualiseert zich de mensch, raakt hij losser en vrijer van z'n medebewoners van het landschap en van het landschap zelve. Voorheen had hij de eenvoudigste handeling-van-alledag geheiligd gevoeld door de in zijn land aanwezige godheid: de aarde dienen en god dienen, het was een en hetzelfde geweest. Maar z'n god had hem verlaten, was heengegaan uit het territorium. Wilde hij hem wedervinden, hij moest uittreden uit de dingen-van-alledag, uit den dienst der aarde, en in afzondering trachten het verband met de geestelijke wereld weder te verwerven. Een eendeelig godshuis, één enkele woning voor den god, hoorde, krachtens het dan heerschend bewustzijn, niet meer thuis in den tijd. Een tweede deel was noodig: de ruimte, waarin de menschen uit het land rondom, binnentreden konden, om in aandacht te wachten tot de geest vanuit de behuizing van altaar en priesters tot hen kwam. En de Christelijke basilica ontstond. Nooit heeft men den overgang van eenledig tot tweeledig godshuis verstaan. Met dergelijke problemen is niets aan te vangen, wanneer men ze tracht te vermeesteren met de gangbare uiterlijke architecturale geschiedvorsching. Wat alleen doeltreffend is, is aanschouwing uit het oogpunt der bewustzijnsontwikkeling. Dit is het eenig zuiver perspectief. En het eenig perspectief, dat Dr. Steiner bij al zijn beschouwingen doet gelden.
Chronologisch volgt nu wat men noemt de Romaansche stijl. Maar daar deze in laatste instantie slechts omvormingen der basilica levert, zich niet tot een eigen zelfstandigen, stijl weet op te werken, kunnen we dezen gevoeglijk in onze vogel vluchtige beschouwing voorbijgaan. Om des te krachtiger te stipuleeren den nieuwen vorm, waarin dan ten slotte, als uitdrukking van een nieuw bereikte trede op de ontwikkelingstrap van het menschschelijk bewustzijn, de bouwkunstige gedachte aan het daglicht treedt: de Gothiek. In den Griekschen tijd verricht men zijn arbeid in den lande onder bescherming en met hulp van de godheid, goddelijke en menschelijke arbeid zijn één. De aarde is nog bewoond door de godheid. In den tijd der basilica is het land verweesd, de godheid woont niet meer beschermend te midden er van. Maar men kan er uittreden en binnen de muren van het godshuis den god weer zoeken. En er diens zegen vragen over den te verrichten arbeid daarbuiten, die niet meer is een natuurlijk-goddelijke handeling, maar ook nog niet een zelfstandig-aardsche. Het menschelijk bewustzijn bezit de aarde nog niet zoo stevig, dat het meent uit eigen kracht de aardsche mogelijkheden te benutten. Maar het schijdt verder, dat bewustzijn, het begeeft zich door nieuwe, geleidelijke gedaanteverwisselingen. De goddelijk-geestelijke machten hebben zich nog meer van de aarde teruggetrokken, de mensch voelt de aarde al meer als zijn zelfstandig bezit. En zijn arbeid op de aarde als een zelfstandigen arbeid: in den Gothischen dom ten slotte wordt de arbeid van heel de gemeente saamgedragen, de handwerkskunst viert hoogtij in den Gothischen dom. Alle gilden hebben hun werk te verrichten, voor het Gothisch bouwwerk op volmaaktheid kan bogen[i]). En langs de opwaarts strevende, elkaar toegebogen lijnen van gewelven en vensters biedt de gemeente, als langs biddend-toegevouwen handen, de godheid haar arbeid ten offer: de in harmonie saamgewerkt hebbende, tot harmonie geworden handwerkskunst. In z'n arbeid trachtte men z'n god te naderen. Ik poogde aan te toonen, hoe Dr. Steiner in groote lijnen de ontwikkeling der bouwkunstige gedachte van den Griekschen tijd tot op heden karakteriseert. Hoe de Grieken in hun landschap leefden en het bewustzijn hadden: de Geest is onder ons. Hoe, nadat inmiddels het gebeuren van Golgotha was geschied, de menschen het Godshuis betraden, dat niet zelf meer altaar was, maar dat in een afzonderlijke ruimte een altaar bergde, door bemiddeling waarvan de Geest tot de menschen zijn weg nam. En hoe, nadat nogmaals menschen-geslachten in de eeuwen waren op- en ondergegaan, men in de dank en vreugde van zijn arbeid naar den Geest omhoog te streven zocht…
Wanneer iemand, zooals dat bij den aard en het werk van Dr. Steiner behoort, werkt met groote lijnen, is zijn karakteristiek der bouwkundige evolutie met de Gothiek ten einde. Want na deze is geen werkelijke algemeene stijl meer aan den dag getreden. De menschheid als geheel bezat niet meer één machtige verhouding tot den Geest, door de gezamenlijke zielen ging niet meer de polsslag van één heilig vuur…
De schrede, die logisch volgen moest na het zich onbewust verbonden voelen met den Geest, het van verre wachten op de nadering van den Geest, het opwaarts streven naar den Geest — die logisch volqende schrede is niet gedaan door het geheel der menschelijke zielen. Met het gevolg, dat ook de bouwkunst de nieuwe schrede naar een nieuwen stijl, nu de oude uit den tijd raakte, niet kon doen. De naaste schrede zou geweest zijn: dat men zich vereenigde met den Geest. Dat men één met hem werd, ditmaal bewust. Dat men, na het omhoog-streven om den Geest te naderen, dezen omvat had en gewonnen, verworven voor de stof.
Noodzakelijk anders dan voor eenige eeuwen is onze taak, onze verhouding tegenover den Geest geworden. De, met den blik van hier-beneden-is-het-niet, over de aarde schrijdende mensch, onzen grootouders nog al zedelijk ideaal van de uiterste perfectie aangewezen, werd voor ons tot karikatuur. Hier beneden is het wèl. 't Is alleen maar dat het, zooals het op het oogenblik hier beneden is, niet zijn moest.
BILd: Laatste van de rechtsche zeven zuilen van de groote koepelzaal, wet perspectroïsch de kleine koepelruimte, bestemd voor de uitvoerenden.
De goddelijk-geestelijke krachten, die eens de aarde verlaten hebben, die den mensch aan zich zelf moesten overlaten opdat hij een zelfstandig, bewust wezen kon worden, kunnen thans herleven op de aarde. En moeten dat. Hier benéden hoort het te zijn thans, maar dit beneden, dat dor en bloedeloos is, hoort te veranderen. There is not only something rotten in the state, the state is rotten altogether. De aarde is ontgeestelijkt, terwijl het de tijd is dat ze door-geestelijkt wil zijn.
En doorgeestelijken kan niet een abstract umschwärmen en belofreden van den Geest, de arbeid der doorgeestelijking volbrengen kan slechts de reëele, sinnlich-übersinnliche Geest zelve. Maar daartoe moet hij door den vrijen, inzichtigen wil van elk mensch als individu verworven en naar "hier beneden" gehaald worden, in de stof ingedragen.
Majestueus staat daar in het midden van Europa het Goetheanum als bewijs, hoe het bewust zich vereenigen met den Geest een nieuwen stijl tengevolge heeft. De Geest is hier overgegaan in de stof en in den vorm. Met het gevolg dat door elken vorm, door elk geringst détail, de Geest onmiddellijk tot u spreekt.
Bij de ouden droeg Demeter of Ceres den naam van "de Wetgeefster". Vraagt ge een mythologischen geleerde naar het waarom, dan krijgt ge ten antwoord, dat ze den menschen den akkerbouw geleerd heeft. Van Dr. Steiner hoort men, dat met Demeter's korengave, die de mensch in zich opnam, de krachten en de wijsheid, die daarbuiten in het heelal heerschten, in hem overgingen en hem, den onbewuste, leidden. Zoo eerst is Demeter als "wetgeefster" te verstaan.
Dr. Steiner hoorde ik voor bouwwerken als het Goetheanum en die in dezen stijl hopenlijk volgen zullen, denzelfden naam gebruiken: wetgevers. Men tracht vrede, regel, harmonie onder de menschen te krijgen — in dezen zin ongeveer liet hij zich uit — door steeds meer maatregelen, verordeningen, wetten. Zonder het geestelijk fluidum echter der ware kunst — en ware kunst is de uiting van wat de godheid ons te zeggen heeft — zal men de boosheid de wereld niet uit helpen. Eerst wanneer van de omraming van werkelijk doorgeestelijkte vormen het geestelijk fluidum der ware kunst in zal vloeien in de harten en zielen der menschen, wanneer de gebouwen niet meer Jevenlooze dingen zullen zijn, waar men onberoerd in- en uitloopt, zal de leugenachtige ziel ophouden te liegen, de twistzieke den vrede harer medemenschen te verstoren. Door een geestelijk fluidum liet Demeter den menschen het licht der wetten opgaan, door een geestelijk fluidum doen de "Dornacher Bau" en die na hem volgen zullen, den mensch in vrijheid de wet aanvaarden. Non quod ius, quod fas est. Of om het in de eenvoudige taal van een eenvoudigen bezoeker van het Goetheanum uit te drukken, zooals hij zich tegen zijn gids uitliet: "Als je lang in dit gebouw vertoeft, moét je goed worden".
Hoe de gedaante van dit bouwwerk werd bij het uitvoeren van de te gronde liggende voorwaarden, daarover een volgende maal.
Dornach-Arlesheim Adelyde Content
P. S. De drukfoutenkwelgeest heeft in het vorig
artikel zijn slag weten te slaan. De lezer heeft hopenliik zijn streken
doorzien en noch Goethe noch zijn verkondiger Dr. Steiner, noch de biografe van
dezen er van verdacht, zoo ontaktisch te zijn de taktiek te zijn toegedaan met
de maatstok idealen te willen instudeeren. Met succes gebruikt men zoo'n
instrument voor de instudeering van iamben.
[i] "bógen op" = Trots zijn op, zich beroemen op, kunnen pronken met

In plaats van de foto's, die bij dit artikel hoorden, koos ik foto's uit het staatsarchiv van Bazel.
terug naar Publicaties