terug naar Artikelen

26-02-1936, Het Vaderland

AETNA

IN HET ONHERBERGZAAM LAND DER LAVA

De kraterpluim in de ijzige koude, Nicolosi

     Alleen achtergebleven in het laatstbewoonde gebied op de helling van de Aetna — op 1750 m — In een kille steenen kamer van het hotel, (Grande Albergo dell'Etna) het steenen hotel van dit laatste povere stedeke, kan men zich verslingerd op den aardbodem voelen gelijk de vele gehuchten, waar men op den dag doorheenvloog, daar verslingerd lagen rondom en tegen den Aetnavoet. Alleen in een hotelkamer uit lavasteen, steen, eeuwig steen, zooals Sicilië dien als eeuwig-onontkoombare materie biedt maar nu dan lavagesteente. Niet zooals elders op Sicilië lavagesteente, verwerkt als donkere versiering, maar thans lavasteen als eeuwige en eenige materie. Is het de invloed van dit uitgebraakt ingewand onzer aardplaneet van dezen tot steen verstilden, uitgezieden driftenbrand, die den bewoners van het Aetna-eiland dien Hauch van weemoedige tragiek geeft en die ook een passagante in zoo'n kubus van lavawanden op de grens van bewoond en onbewoond gebied zich een te-vondeling-gelegde doet voelen, die... niet gevonden werd?

     Hier, op de lava, dicht onder den eeuwigen rookpluim der Aetna, weet ik: op aarde kan het overal bar zijn, hetzij de barheid óver, hetzij ze ónder de aarde uitwoedt. Maar gij, lezer, beleeft uw verblijf in der menschen gemeenschap. Dat is iets anders dan te zitten aan de grenzen van wat op aarde bewoonbaar is, aan de grenzen der menschheid.

                                                                                    *      *      *

     Vroeg vanmorgen trokken we met de auto uit Taormina. Naar beneden eerst naar de lonische Zee, en dan mee langs de lijn der slingerende kust. Tot we, aan den voet van de Aetna, weer begonnen te stijgen. Door vele stadjes zijn we getrokken, lavasteenen stadjes, niet meer dikwijls dan gehuchten. We hebben daarbenèe den in 1928 door de Aetna ultgebraakten, eindelijk tot stilstand gekomen lavastroom in zijn verstarring zien liggen. We hebben overal de sporen nog voor het grijpen gevonden van de vernietiging, door den wegvegendenreus tot stand gebracht. We hebben groote en kleine daden van herstel gezien. Zoo zijn we langs een reeds bijna geheel opnieuw gebouwd, leelijk net stadje gereden: Mascali. Tot we deze laatste Ansiedlung op de Aetna, Nicolosi, bereiken.

     Langs een autoweg, die van hier 1300 meter dé Aetna is opgetrokken tusschen de uitgeworpen lava door, uIt de lava, is het manlijke deel van de familie alleen verder getrokken. Naar de Casa Cantonlera voert de nieuwe weg, het op 1886 m hoogte gelegen eenzame gebouwtje, met er tegenovergelegen een registratie-inrichting, waar men voor het laatst met een enkelen mensch uitwisseling heeft vanwaar men z'n gids meekrijgt waar ook enkele nachtverblijven geboden kunnen worden. Van hier af is men op zichzelven aangewezen, wat physieke kracht betreft. Hier vangt het omhoogmarcheeren door de lava aan. Tenzij men er de voorkeur aan geeft zich aan het schokkend, maar tot het stijgen geschapen muildier toe te vertrouwen. Tot dan op ongeveer 2900 m, uitgaande van de universiteit in Catania, het observatorium ligt, pleisterplaats zoo noodig voor de wetenschap, pleisterplaats ook zoo noodig voor den Aetnabestijgers. Ook hier kan men, primitief als het een strijder met sneeuwhellingen bekend is, overnachten. Want het heet tot de geweldigste belevingen van Sicilië te behooren, in den vroegenmorgen boven van de Aetna af de zon over de aarde te zien opgaan, waarbij de Aetna de eigen schaduw over het eiland werpt. Van het observatorium uit bereikt men dan den Aetnatop in een klein uur. Zoodat dit nachtverblijf het aangewezen logies is voor hen, die voor den dageraad op den top willen zijn.

     Hiertoe zijn mijn reismakkers thans op weg. En om een blik te werpen in den krater, in den muil, waaruit de aarde haar verteerd ingewand naar buiten spuwt, den vurigen bek, waarin eens Empedokles, der toenmalige menschheid tot getuigenis, zich omlaag stortte. Al neemt men deze heroëndaad nog slechts als fantasie-overlevering, deze heroëndaad, verricht om voor een menschheid, voor welke het helziend vermogen verloren ging en die daarmede, voor het eerst, het vertrouwen in de onverdelgbaarheid van de eigen persoonlijkheid zich voelde ontglippen, van het geloof in de eeuwigheid van 's menschen geest te getuigen. Hoe zou men, in dezen tijd der nieuwe zakelijkheid nog een zin er voor hebben, dat een Empedokles met het leven en sterven als een god bedoeld zou kunnen hebben, in elken mensch het bewustzijn van de eigen goddelijkheid weer wakker te roepen?

     Maar ik, die achtergebleven ben ver beneden den krater, waar heldendaden verricht worden — ik zal het niet verder hebben over verhevenheden daarboven. Morgenochtend, tegen dat mijn reismakkers van den krater weer neerdalen, rijd ik met den chauffeur, die van de Casa Cantoniera, waar hij hen aan den gids had overgedragen, met zijn wagen hier in Nicolosi is teruggekeerd, hun tegemoet.

                                                                                       *      *      *

     Den middag heb ik gebruikt om door deze streek te dwalen. Over lava gaat men, hetzij men over gruiswegen, hetzij men over keiwegen, hetzij men over plaveisel gaat. Van lava is huis aan huis gebouwd, hetzij in de oorspronkelijke, grijs-met-zwarte kleur, hetzij de Zuiderlingen de steen, naar hun lust, kleurig rood of blauw bestreken. Van lava zijn de hegachtige muren der stegen, uit lavablokken zijn opgestapeld ziet men zelfs de wanden der armoedige kamertjes, wanneer men in de povere sloppen door de open deuren naar binnen kijkt, De gootsteenen in de keukentjes, de uit een paar steenen geformeerde brandhaardjes, alles lava. Een stuk bewerkte, uitgeholde en met gaten doorboorde lava zelfs mijn waschtafel in dit "grootste" hotel van Nicolosi. Lava alles. Lava, die eens, wanneer ze als een roodlaaiende vloed kwam aanrollen. verbijstering en verderf bracht; die dan, als smart en verderf overleefd waren, als in overdaad zich aanbiedend product daar lag en gebruikt werd. En uit haar bodem van verteerden driftenbrand, Ik-brand, weelderig den wijndruif, den appel, de kastanje deed opschieten.

     Naar verschillende kanten spuwt de Aetna haar vuur. Den kant van Nicolosi op dreigde voor het laatst in 1886 een aanzwellende lava-stroom uit opgespalkten Aetnamüll. In de herbouwde oude kerk, aan Nicolosi's schutspatroon, den heiligen Antonius van Padua gewijd, bekeek ik een schilderij: op den achtergrond de gruwelljk-dreigende, aanzwellende, roodgloeiende stroom, op den voorgrond de knielende, genade smeekende inwonerschap van Nicolosi, wanhopige moeders, zich achter haar verschuilende kinderen. Maar op den achtergrond ook: de Monte Rosso, de Roode Berg, de berg die den stroom tegenhield, brak. Tegenover deze schilderij een andere, waarop het beeld van den heiligen Antonius, hij, die de genade-smeekenden verhoord had, in processie wordt rondgedragen. Zevenhonderd Jaren na het afsterven van den heilige, in 1931, werd de, hem ter eere uit een ruïne herbouwde, kerk ingewijd.

     Op den top van den Monte Rosso prijkt, alom zichtbaar, een kruis, waarmee de dankbare bevolking dezen ààrdschen beschutter heiligde.

     Wanneer men, als wij hedenmorgen, aan den voet van de Aetna zoo'n laatsten, tot staan gekomen uitlooper van een eruptie heeft zien liggen, voelt men den hopeloozen angst van zoo'n op het uiterste zich met haar woonstede gewaagd hebbende nederzetting mee — en ook haar dank. Die breede, nu versteende kolos.... in een moment, dat onze verbeelding hem weer opgelost denkt tot vloeiend, vlamtongend vuur, straalt hij opnieuw de ontzetting der aanzwellende dreiging uit....

     Want zoolang de lava stroomt, is de driftenbrand niet uitgezied...

     Dan is het tragischer, tragischer-geweldiger nog, dan wanneer men zit op, zit temidden van den gedoofden, versteenden brand.... de lava....

                                                                                            *      *      *

     Wij in onze vriendelijke Hollandsche kamers! Wanneer men een nacht tusschen waken en slapen heeft doorgebracht in de extreemste nederzetting op een vulkaan, in een steenen kamer, donker van gedwongen luiken-toe op de vensterdeuren aan de straat — ja, dan pas weet men inderdaad het natuurverschijnsel te vereeren, dat de zon blijkt met haar stralen te zullen doorbreken. Met omgezetten Hollandschen smaak verorber je dan moedig de door den kellner uitgestalde koffie, de geitemelk, het grauwzure brood en de geiteboter, en voelt je vreugdig-verlost, dat je uit kunt treden in het licht. En met wijde oogen en een wijd hart naar de zon treedt je op de tot vaardige vaart bereide auto toe. Waarin ook nog een jonge Siciliaan stapt, voor wien de chauffeur permissie tot mee omhoogrijden heeft gevraagd. Hij vertelt me, dat hij, uit deze streek geboortig, in Rome — hij vertelt het vol trots — bij de post is aangesteld, maar elke kleine vacantie gebruikt om naar zijn geboortegrond terug te keeren: Sicilië, de Aetna, zijn eigen land!

     En als we in den ijlen, glimlachenden morgen door de, door lichte velden geschakeerde, donkere lava de Aetna oprijden, begrijp ik iets van zijn hang. Het kan niet rakelings en roekeloos iemand voorbijgaan, op dezen bodem het eerste levenslicht aanschouwd te hebben. Op wat voor grond zijn we hier! Terwijl de jonge Siciliaan me den bloeienden wasdom toont der boomgaarden, gerezen over een menschenleeftijd tevoren vernietigd leven, beleef ik de eeuwige tegenstelling, die "Sicilië" uitmaakt Sicilië met zijn eeuwig-dubbele mogelijkheden. Sicilië als vereeniging van tegenpolen, van oudsher gelegen tusschen het land, dat den doem tot ondergang droeg: Carthago, Libyë, én Italia, het land, waar naar het heil gestreefd kon worden. Welk precair en precieus eiland men bereikt tusschen den Scylla-rots en den breeden muil van de Charybdis door.

     Ik belééf het rijden door den lachenden morgen over dezen beheerscher van Sicilië, omhoog naar zijn sneeuwigen top, terwijl daaronder, ònder ons, neergesmeten, naar de ouden het wisten, de reus Typhon zich wringt. Het hoofd van den reus Typhon. Want uiterste verhevenheden, voorgebergten van het eiland, liggen gestapeld op de beenen, op elk der armen, zegt de mythe. Op het hoofd ligt de Aetna. Zóó heet gevormd te zijn Sicilië, het Trinacrische eiland — de driehoek. Westwaarts gestrekt aan de teen van de laars Italië, heen over den Gigant, die Westwaarts tezaamstrekt de beenen, Noordoostwaarts omhoog den rechterarm. Zuidoost omhoog den linker. En over het hoofd van deze driehoekig gestrekte gedaante de eenige berg op Sicilië, die de koesterende Zuidelijke zon ontkomt en sneeuw vangt op zijn kruin: de Aetna. Bestaande van dien witten kruin af wijduit neerdalend, met zijn hellingen heel het eiland. En van daarbenèe, van overal in het rond op het schoone eiland, staart men vragend-afwachtend omhoog naar den magnetischen reus, die óf glanzend in het wit staat tegen de lachende blauwe lucht, onbezorgde blijheid kondigend, óf in nevelen duister zich weghult, blind profeterend stormvlagen en regens.

     Hoe váák hebben wij van beneden af mee omhooggestaard naar den wil van den reus! Nu rijden we uit boven wat men daarbeneë beleeft. Beneden ons, waar we wazige morgennevelen zien, regent het mogelijk, blaast misschien een zachte wind over sombere Sicilianen. Hierboven is het alleen maar licht bevrijd. Men voelt er zich dicht bij de zon, de Al-Reinigende. Loodrecht onder ons, in het toegedekt rijk van Pluto, de ondergrondsche, ondermenschelijke chaos. Wat aan donkere materie, lavagesteente, om ons ligt is uitgebrande brand, is onder de stralen van de morgenzon het tot rust gekomene, Vrede.

     En daar voor me. naast den chauffeur, zit een op deze hellingen geborene, die eeuwig teruggetrokken wordt naar den Geweldige. Om weer te staan met zijn voeten op de rommelende ondergronden en mee omhoog te heffen het hoofd naar de blank neergedauwde sneeuw, in de reinigende zonnestralen. Men ziet en voelt de vreugdigheid van den inboorling zwellen met het hooger suizen. Een enkele woning ligt nog hier of daar zijwaarts van den weg gescholen: van óók een, die onherroepelijk getrokken werd door den reus, die den reus Typhon ónder houdt; door den reus, die opstaat uit den reus. Bij zoo'n eenzame behuizinge vraagt dan de Aetnaë om één moment wipt ult den wagen, reikt er proviand, een briefje, een krant. We passeeren een troepje politioneel gekleede Jongemannen, m'n Jeugdige Aetnaë wisselt met hen den fascistischen groet, zegt me lachend, vol trots: "Mi amici"! En hij wijst me, in de verte reeds, met een wijden armzwaai omhoog naar een in aanbouw zijn werk: een hotel, een heusch hotel ver boven Nicolosi, waar men op de Aetna zal kunnen overnachten! Steeds meer is men bezig den vuurspuwer toegankelijk te maken.

                                                                                    *      *      *

     Vóór de autoweg van Nicolosi af omhoog werd getrokken, tot de 1886 meter, was het beklimmen van den berg slechts, het werk van enkelingen, zeldzamen. En dan dikwijls nog per muilezel zoover omhoog, als deze dieren het leven konden houden. Maar ook zoo nog een zeer bezwaarlijke tocht. De auto was hier de baanbreker, sindsdien schrijdt men cultiveerend verder. Cultuur op het machtig lijf van den Geweldige, waarvan men niet weet, of hij haar morgen verzengt. Maar heden bloeien er de lachende gaarden. En hoog ziet men er, op de boven de lava ontstane vruchtbaarheid, herders hun geiten en schapen heendrijven, die meer omlaag op het rotsige eiland geen voedsel vinden. Wat we immers, na vier maanden verblijf aan den Aetnavoet gezien hebben, zijn ezels, muilezels, en nog eens ezels en muilezels, de taaien, en verder vooral magere geiten. Een koe, onze Hollandsche koe, heb ik in vier maanden niet gezien. Al moet er wel een enkele over den steenen bodem triomfeeren, getuige onze melk, die niet altijd verdacht naar de geit smaakt.

     Wél heeft het steen van hun land de Italianen van oudsher tot wegenbouwers gestempeld! Ze weten weg met en door het gesteente. Deze op de lava geplaveide weg, tusschen de lavablokken door, met dikwijls heggen uit lava aan weerskanten, getuigt er opnieuw van. Grandioos slingert hij tusschen versteende, deels reeds verhakte, zwarte lavastroomen omhoog, van welke stroomen m'n op de Aetna geboren medepassagier me de data noemt en de herkomst. Want niet uit den éénen centralen krater spuwt de Aetna haar brand, reeds de ouden wisten, dat zij honderd monden had ten uitweg. Terwijl Pythagoras zelfs kond doet, dat alle deze Aetnamonden niet eeuwig waren en niet eeuwig zijn zullen de monden, door welke het «animal tellers", het wezen aarde, zijn vlammenadem uitstoot. Volgens Pythagoras zou «het wezen aarde" eens déze monden sluiten, elders uitwegen zoeken....

     Maar in den lichten morgen beangstigen deze gedachten niet, zoo min als de zwarte lava in het rond de zon weerstaat en haar verschrikkingen van den nacht handhaven kan. De lichte velden overheerschen alles.

                                                                                           *      *      *

     Doch als we dan de Casa Cantoniera bereikt hebben, zullen we anders hooren. Als we aan het eenzame cafétje uitstappen, maakt de Aetnainboorling me opmerkzaam op een eind omhoog tegen de donkerte der lava, drie stippen, die langzaam omlaag bewegen: het gisteren verlaten "manlijke deel van de familie" met den gids. Ik staar, na dezen nacht, naar ze omhoog als naar drie helden. En verlang, ze huldigend tegemoet te gaan. De Aetnaër en de chauffeur begeleiden me over het lavagruis, waar de velden hebben opgehouden, waar nu alle groei verschomplet, tot ten slotte ook de kleinste stek ontbreekt.

     Maar als we ze bereikt hebben, de mannen, zijn ze alleen nog maar helden in mijn oog. Ze voelen zich moe. Het was ijzigkoud geweest daarboven. Toen ze gisteren, na een tocht van uren door de lava, het verlaten observatorium bereikt hadden, woei er een ijzige wind. De gids had er een bak met houts- kool aangewaaierd — buiten het huis, zooals men dat op Sicilië overal de vrouwen ziet doen, vóór hun huizen in de steenen stegen. Daaromheen zittend in de kamer had men de meegebrachte proviand verorberd. Toen was men in de kooien gegaan, trapsgewijs, als op een boot. De gids. hoorde ik later, had conform gedaan aan de wijze, waarop hij in zijn droge, grauwe brood gehapt had en de veldflesch aan den mond gezet: hij zei "buona notte", draaide zich om en sliep. Maar de mannen uit de lage landen hadden, opeens op die 2000 meter, in de kou, onder de dekens als planken, den slaap niet gevonden. Ademnood, hartverrassingen, duizelige gewaarwordingen. De een had de slaappogingen zelfs geheel opgegeven, had een sigaret opgestoken, en was naar buiten gegaan in de ijle lucht, waar het geruisloos in de stilte, weldoend, om zijn hoofd tochtte. En om vier uur waren ze weer op weg gegaan, zonder de opfrissching van een waschpartij, bij gebrek aan water. Het moeilijkste deel van den tocht lag nog vóór hen. In het stikdonker omhoog over sneeuw, ijs, bevroren zwavel. Terugglijdend over, door de hitte uit den krater gesmolten en weer opgevroren, sneeuw, en dan weer voortstrompelend, ging het voorwaarts in den snijdenden wind, door het barre rijk. Tot ze, glibberend en slippend, den centralen krater hadden bereikt. Het was de tijd, dat de zon moest opgaan. Maar daarboven beletten dichte nevelen alle uitzicht. En ook de blik in den krater werd, zooals zoo dikwijls, niet vergund. De richting der zwaveldampen maakte het naderen onmogelijk. Later, toen we reeds ver weer bereden waren, informeerden ze bij mij, of het hier naar zwavel rook of dat zij de lucht nog niet losgelaten hadden.

     En toen was de tocht omlaag weer begonnen, eenige uren van zich een weg banen door de lava. Tot ze ons bereikten, en slechts het ééne woord hadden: "onherbergzaam is het daarboven".

     Maar nadat we teruggekeerd waren naar de Casa Cantoniera en ze daar, in het vroolljke morgenlicht, zich gewasschen hadden en warme koffie gedronken, steeg de stemming weer wat. Er is toch altijd iets van blijheid en jonge kracht in zoo'n halteplaats met hartversterkingen ergens in de hoogte. Met den gids, den stoeren knaap, die in de volgrij aansloot aan zijn vader, den Aetnagids, was zonder woorden. In de barheden daarboven vanzelf een band gelegd: met graagte schreven de mannen hun pluim in het zwijgend open voorgelegde zakboek van den gids. Vol bewondering, zooals die stevige kerel, ver buiten en boven de gecultiveerde samenleving, zwijgend terwijl hem geen symptoom der hem toevertrouwde klimmers ontgaat, zijn plicht vervult. Ook dit, al is het buiten de zoogenaamde cultuur om, een menschenlot met vele ervaringen: gids over een vuurspuwer te zijn.

     En dan, na een blik van afscheid over deze eenzame hoogten, suisden we weer omlaag, tusschen de starre lava en de lichte velden, naar Nicolosi en de verdere steenen gehuchten, omlaag naar den Aetnavoet, naar de lonische stranden …

     En beneden, in de herinnering, wisten de mannen weer, dat het daarboven niet alleen onherbergzaam, maar ook, en vooral, groot was geweest, van een onheilspellende maar kosmische grootheid.

     En, beneden, staarden en staren we weer omhoog — naar den wil van den eeuwigen Reus …

                                                                                                                                                                 Adelyde Content

terug naar Artikelen