terug naar Artikelen

30.10.1920, Het Vaderland (ochtendblad)

ZWITSERLAND.

HET GOETHEANUM AlS PROEVE EENER NIEUWE ARCHITECTUUR.

(Eigen Brief.)

Op het laatst van mijn vorigen brief wees ik even op de dramatische tooneelstukken — de "mysterie-drama's" hoort men ze gewoonlijk betitelen — van dr. Rudolf Steiner. Deze werden oorspronkelijk jaarlijks in een gewonen schouwburg in München opgevoerd. Maar al spoedig bleek, dat ze in die omgeving niet tot hun recht kwamen. Het nieuwe element in de ontwikkeling der menschen, dat zich uit deze drama's een baan onder de menschen zocht te breken, bleek een nieuwe, eigen omgeving noodig te hebben.

Deze behoefte werd de aanleiding tot het meesterwerk, dat als de "Dornacher Bau" bekend geworden is. De ontwerper van dit alles, de dichter zelf der mysterie-spelen, zou dit epitheton "meesterwerk" verre wijzen, betoogt telkens en telkens weer, dat dit gebouw slechts een begin, een proeve is. "Ik zelf weet het best alle fouten: wanneer ik het Goetheanum over kon bouwen, zou lk het anders doen. Maar er moest een begin gemaakt worden", zoo spreekt hij. Hij hoopt en is overtuigd, dat anderen na hem, uit de gedachten, die aan dit gebouw ten grondslag liggen, een volmaakter kunstwerk zullen scheppen.

Ik sprak van een eigen omlijsting, die de dramatische voorstelling der aan het Goetheanisme of de antroposofie ten grondslag liggende ideeën noodig bleek te hebben. Daarmede bedoel ik echter niet een uiterlijke omlijsting, niet een schoone lijst die dat wat hij omvat in waarde moet doen stijgen, moet ophalen. Het tegendeel. Van binnen uit is bet Goetheanum opgebouwd. De machtige wereldbeschouwing der anthroposophie is de kern, waar omheen het gebouw gegroeid ist in z'n eenige mogelijke gedaante – zooals een schil groeit om, en tot in het nietigst van z'n vorm bestemd is door den noot, dien hij tot omhulling dient. Geen reminescensen van vroegere bouwstijlen, geen mechanisch-dynamische wetten— 't gebouw is geschapen van binnen uit, is gegroeid zooals een wezen, een plant, een dier, een mensch groeit en zich ontplooit: volgens den aanleg van z'n organisme! Goethe, Goethe's metamorfose-beginsel dus eindelijk in daden omgezet!

Wat een geluk moet het geweest zijn, te scheppen op de wijze der Natuur!

Waar men ook wandelt in den omtrek, hoog of laag, steeds ziet men het, op een hoogte van het Jura-gebergte gelegen, wondere gebouw, welks kern bestaat uit twee ronde, ineenloopende ruimten, de zgn. beide koepels. Komt men naderbij, dan ziet men al spoedig, op eenigen afstand van het gebouw, een gebouwtje, dat al heel wat eerzame wandelaars tot staan heeft gebracht. Het heeft in z'n vorm zeer weinig gelijkenis met het Goetheanum — doordat het, evenals dit, uit z'n eigen organisch beginsel is opgebouwd. En dit berustte op z'n doel: het Goetheanum te verlichten en te verwarmen. Wat de wandelaars vooral tot stilstand brengt is de reusachtige schoorsteen, die niet, zooals men dat gewend is geraakt, eenvoudig en glad rechtop staat, maar als met een breeden ruk welft naar het gebouw daarginder, dat z'n doel is. En de substantie van dit gebouwtje, van heel dit vreemde groeisel, is beton. Uit en met en door deze onvermurwbare materie wringt en wijst de schoorsteen.

Beton is ook de gansche onderbouw van het Goetheanum. Verder is alles daaraan hout, van buiten zoowel, als van binnen. Alleen de daken der beide koepels en der zijportalen zijn van Noorsche lei, die, in z'n spiegeling van de gansche reeks voorvallen dag-en-nacht aan het uitspansel, lijkt te leven als alles wat het onder z'n hoede heeft.

Aan den hoofdingang vindt men terstond een motief, dat steeds weerkeert. De ingang bestaat nl. uit drie deelen, drie openingen: een boogvormige middenopening en twee zij-openingen, die zich van boven boogvormig naar den middenboog toe neigen. Dit motief vindt men ook bij de vensters toegepast.

Nu moet ik, voor ik verder ga, even verzoeken, wat dr. Steiner steeds weer verzoekt: men vrage niet eeuwig, wàt dit of dat beteekent. Men zoeke vooral nergens symbolen of allegorieën: die zijn nergens aangebracht – zooals niets van buiten af is aangebracht. Symbolen en allegorieën zijn uitingen van een abstract denken. En, zooals ik het dr. Steiner pas nog hoorde zeggen: "Alle abstract denken is de dood der kunst. De zinlijk-bovenzinlijke wereld wordt gedood door de gedachten". Bij dit zinlijk-bovenzinlijke doelde spr. ongetwijfeld op het "sinnlich-übersinnliches Schauen" van Goethe.

Gaat men door den betonnen hoofdingang, dan ziet men, in groote afmetingen en op groetengrooten afstand, nog vier zulke drieledige poorten, toch steeds weer gevarieerd naar wat ze uit te drukken hebben, en ten slotte één grooten boog, voor men de vestiaires bereikt, waarop opzij ook nog dergelijke, toegewijd tot elkander neigende, poorten toegang geven. Aan weerszijden van het hoofdportaal breiden zich in een breeden boog de ruimte galerijen uit, van waar men, door de drieledige vensters, prachtige vergezichten over het landschap heeft. Aan weerszijden van het hoofdportaal, meer zijwaarts echter, beginnen zich ook de machtige steenen trappen te welven. Als ik boven ben, twijfel ik weer, maar elken keer als ik inkom, denk ik dat ik dit trappenhuis wel het schoonst van alles vind. Er is hier geen ruimte voor volledige beschrijving, laat ik maar even memoreeren de geweldige dragers van de trap, waarin, in de wisseling van lijnen die slank zich spannen en stuttend breed-uitloopen spreken, zoo prachtig het zware werk dier dragers is uitgedrukt. En het motief onder op de leuningen: de betonnen "organen", die den vorm hebben van het evenwichtsorgaan in het menschelijk oor. Wederom vertel ik hier, wat ik van dr. Steiner hoorde: Het is geen nabootsing van dit menschelijk orgaan, dr. Steiner bedoelde iets aan te brengen, waardoor de mensch bij het bestijgen der trappen die naar de gehoorzaal leiden, naar binnen gekeerd zou worden, tot rust en aandacht komen. Al scheppend ontstond toen dit menschelijk evenwichtsorgaan.

Waar de trap ophoudt, eindigt ook al wat beton is. Men staat terstond in een groot, welvend, houten portaal, dat aan den eenen kant, door een drieledige toegang, naar een terras voert, aan den anderen kant in de gehoorzaal, den grooten koepel. Dat terras is van groote afmetingen, het is zeer breed en neigt en welft mee met de lijnen van het gebouw, waarom het zich haast ganschelijk henenvlijt. Het gezicht van dit terras is onbeschrijflijk mooi: het dal met de nijvere dorpjes, de sterke bergruggen der Jura, met hun ruïnes van oude burchten…

De buitenkant van het gebouw is beukenhout, alles gebeeldhouwd. Een zwaar motief boven den hoofdingang, alle krachten zijn daar als 't ware geconcentreerd. Het zelfde motief keert opzij terug, maar vlakker, of het u wil laten passeeren.

Het hoofdportaal daar binnen is van beukenhout. In z'n welving drukt het z'n organische verhouding met de hoofdzaal uit, waarnaar het toegang geeft. En dan staat gij in den grooten koepel, boven in de amfitheatersgewijze neerdalende zaal. En daar beneden ziet ge den kleinen koepel openliggen, de ruimte die voor de opvoeringen is bestemd. Door bet ineenloopen van het met toeschouwers gevulde terrein en dat der uitvoerenden ontstaat als vanzelf een nauwer contact tusschen de twee categorieën.

Elk der twee ruimten is eigenlijk overdekt door twee koepels, een binnen- en een buitenkoepel: de eerste rust op een reeks zuilen, de tweede op den wand. Tusschen zuilen en wand loopt nog een breede galerij.

Terwijl aan den buitenkant één houtsoort gebruikt is, zijn binnenin zeven soorten aangewend. Elke zuil van het 7-tal, dat ter weerszijden van den grooten koepel staat, bestaat uit één houtsoort. Om u eenig idee van de reusachtige verhoudingen te geven: de hoogte van den koepel, van binnen gemeten, is ongeveer 24 M., de zuil onder aan het amfitheater (dus de grootste) weegt plus minus 40.000 kilo. Voetstukken, kapiteelen en architraven der zuilen, zoowel van den grooten als van den kleinen koepel, waar er ze,zes aan elke zijde staan, dragen motieven, die alle verschillen, maar zoo, dat steeds bethet volgende zich «ut het v»?orafgaaneleuit het voorafgaande ontwikkelt, steeds z-chzich meer compliceert — zooals ieder blad van een plant zich meer gecompliceerd aan het vorige rijt. Maar zooals ook het menschelijk oog, hoewel het volmaaktste, geenszins het meest gecompliceerde is, zoo blijken ook de motieven, die op de middenzuilen hun grootste gecompliceerdheid bereikt hadden, als vanzelf op hun verderen ontwikkelingsgang tot steeds grooter eenvoud teruggekomen te zijn.

Tweemaal vier groote glasvensters bevinden zich in den grooten koepel, elk der vier van een andere kleur. Met wentelende steenen zijn daar figuren in uitgeslepen, machtig-werkende voorstellingen uit het bewustzijn-leven van de menschelijke ziel: slaap, geboorte, dood, waken, wils- en denkleven.

De zolderingen der beide koepels zijn ook met voorstellingen van diepe beteekenis beschildert: de groote spreekt van oude, voorbijgegane cultuur-tijdperken: het oud-Indische, het Egyptische e.a.; de kleine van de verhouding van den rnenschen, in verleden, heden en toekomst, tot het geestelijk, het Eeuwige.

O, het is een vaag, een flauw beeld, dat ik u gaf. Maar dat kan immers niet anders! Met m'n pen alleen, en in een klein bestek, en zonder afbeelding zelfs. En het gebouw leeft! Als ge nooit een mensch gezien had, zou m'n pen zoon exemplaar ook niet kunnen voortooveren!

Het Goetheanum lééft, ademt, houdt verband met den kosmos, zou ik willen zeggen, zooals een mensch door z'n adem in verbinding met den kosmos staat. En dat is het, wat de bouwmeester heeft gewild: de wanden, ge voelt het als ge in het Goetheanum zit te luisteren, sluiten wat daarbinnen voorvalt niet in en af, maar dragen het weg over de wereld. De idee der anthroposophische beweging: de hereniging van kunst, wetenschap en religie, vond in dit gebouw, dat uit deze drie elementen is opgebouwd, een waardige — de eenig mogelijke behuizing.

Dornach, 26 October 1920                                                                                                                    Adelyde Content