terug naar Artikelen
17.09.1931, Het Vaderland
Het Waschwater of het Kind?
De resultaten verhaagsche vrije school.
De onderwijzer moet dichter zijn in den breedsten zin des woords.
Dezer dagen las ik in een wekelijksch blad het volgende bericht:
Met dankbaarheid zien velen terug op de opwekkende aansporingen, die zij bij den paedagogischen zomercursus aan het Goetheanum door den heer Rittersbacher (uit Hannover) hebben ontvangen en op den diepen ernst zijner uiteenzettingen. Op deze wijze verder te werken, beantwoordt aan een sterke behoefte. Op grond van het totnogtoe: van het Goetheanum volbracht paedagogisch werk en van de, opnieuw door velerlei concrete behoeften noodzakelijk geworden, voortgezette werkzaamheden in dezen zin, heeft zich een "paedagogische arbeidsgroep aan het Goetheanum" gevormd. (Zoo juist vernemen we, dat deze groep in aansluiting aan de a.s. Michaelis Tagung van 7 October , al een paedagogisch congres van een week zal houden te Dornach).
En in een ander blad lees ik, dat de rector van een gymnasium in een rede een lans breekt voor "ons oude Nederlandsche onderwijs". Hij wijst daarbij op eenige afschrikwekkende symptomen in het binnenland, als ook op «de droeve resultaten, behaald op de zoogenaamde Vrije School in Den Haag."
Het is altijd rustig, louter als toeschouwer berichten te mogen lezen, casu quo z'n oordeel te mogen zeggen. Daar ik hier geheel toe schouwende ben, niet door sympathieën met de Vrije School verbonden ben, evenmin als door antipathieën er van gescheiden, is het plezierig, hier enkele, door beide berichten gerezen, gedachten te mogen geven. En dan voel ik al direct den wensch te vragen: dat het resultaat van nieuwe pogingen hier en daar "droevig" is, is dat een reden om naar het oude, dat toch bepaald alleen maar omdat het niet voldeed, die pogingen tot het nieuwe wakker riep, terug te grijpen? Wanneer, zooals diezelfde rector in zijn rede uitspreekt, het zelden meer voorkomt "dat onze jongens en meisjes zich geheel wijden aan hun werk, hun studie laten vóórgaan", duidt dit er dan niet op, dat ons oude Nederlandsche onderwijs onze jongens en meisjes niet zoo meer grijpt, dat ze er liefde voor kunnen hebben en er andere dingen voor stil laten staan?
Het is niet genoeg, hier eenvoudig den "tijdgeest" te beschuldigen, zooals o. a. in de bedoelde rectorale rede geschiedt. De tijdgeest in dezen zin is een tijdgeest, die door de menschen zelf tot stand wordt gebracht; beter nog: een on-geest, dien de menschen door machteloosheid van geest helpen, zijn negatief bezwaar te handhaven. Wanneer de menschen zelf zich tot geestesmachtigheid konden verheffen, zouden ze een positieven tijdgeest ontdekken. Ze zouden de opeenvolgende tijden door verschillenden geest beheerscht zien en ze zouden in den zin van den waarachtigen geest van dezen tijd de geesten der jongens en meisjes van dezen tijd zoeken te bereiken. Daar de mensch een mèt de tijden veranderend wezen is en dus de geest van den huidigen opgroeienden mensch iets anders noodig heeft dan de toenentoen opgroeiende.
Juist, daar me bekend is, welke mogelijkheden de anthroposophische paedagogie voor het hedendaagsch geslacht biedt, sta ik als toeschouwster, objectief afwachtend, tegenover de Vrije School in Den Haag. En kan ik verklaren: wanneer daar "droeve resultaten behaald worden," is dat een bewijs, dat daar het grijpen en toepassen der anthroposophisch-paedagogische mogelijkheden nog niet is bereikt. En kan men alleen maar afwachten wat de jonge menschen, die de Vrije School hebben opgezet, daar verder van maken. Of ze de eerlijkheid en den ernst bezitten om zich de ervaringen, die zich aan droeve resultaten paren, ten nutte te maken. Het is niet aan ons, het kind met het badwater weg te werpen.
* * *
Aan de eerstgeborene der anthroposophisch-paedagogische scholen, de Waldorfschool in Stuttgart, heeft men voor oogen, wat met deze paedagogie te bereiken is. Niet slechts de stad, maar ook de Staat erkennen daar de vruchten. Niet alleen aan de kundigheden, maar zelfs aan de gezondheid der leerlingen zijn de resultaten der methode daar bewezen. Maar we moeten bedenken, dat de Waldorfschool de eenige school is, waar de vader van de methode zelf nog korten tijd zijn bedoelingen aangegeven en gecontroleerd heeft. En vooral: dat het grondbeginsel der methode, het aanvangen der opvoeding bij den onderwijzer zelf, door de aanwezigheid, het voorbeeld en het woord van dr. Steiner te midden der hun loopbaan aanvangende leeraren, voltrokken werd. Het: werk naar binnen vòòr ge naar buiten werkt, het: zet iets om in uzelf indien ge iets in het kind wilt omzetten, was onder dr. Steiners oog bittere ernst.
Het verlangen en den goeden wil dergenen die het ondernamen, ook in Den Haag, met de vruchtbaar gebleken methode aan te vangen, moet men apprecieeren. Wanneer de resultaten gedeeltelijk "droef" zijn, kan men dit slechts betreuren. En — een eigenschap van den menschelijken geest — trachten een verklaring te zoeken. Welke tamelijk voor de hand ligt. Het waren allen jonge menschen, die het werk aanvatten, zonder ervaring van het kind, zonder ervaring van het leven. Het is een kleine circulus vitiosus: aan hun jeugd en hun onervarenheid dankten ze hun optimisme en hun lust tot daden. Van een ouden gezelligen grootvader met een leven van ervaring achter zich, kan, qualitate qua, heel wat meer opvoedende kracht uitgaan — maar het zou even duren voor eenige ervaren grootvader zich tezamen er voor zouden laten vinden om een nieuwe paedagogische methode in de praktijk te gaan omzetten. Het zou waarschijnlijk duren tot het voor de grootvaders zelven te laat was. Deze en gene paedagogisch begaafde grootvader zou zelve ten volle beaamd hebben, dat jeugdige kracht noodig was om het nieuwe te verwezenlijken. De fout der jeugdige kracht: alles wat uit oude rustige ervaring stamt, over boord te werpen als "uit den tijd", zou hij niet beamend toegejuicht hebben. En, last not least, hij zou begrepen hebben, dat het nooit Rudolf Steiners wil geweest kon zijn, te breken met den aloude stilzwijgenden stelregel, dat, om een bepaald vak vruchtbaar te kunnen onderwijzen, een goede methode alleen niet voldoende is, maar dat de leeraren tevens een kennis moeten bezitten, welke die van den leerling honderdvoudig overtreft. Dat speciaal in de middelbare klassen der Vrije School de resultaten verre van algemeen bevredigend blijken te zijn, is wel ten deele aan het overtreden van deze laatste voorwaarde toe te schrijven. Zonder eenige aarzeling kan men beweren, dat het lijnrecht in strijd met de bedoeling van dr. Steiner, die in alles zoo uiterst ernstig en consciëntieus was, het lot der kinderen in de waagschaal te stellen, opdat de onderwijzers zouden leeren tot enkele beproefde grondbeginselen, die ook de vanzelfsprekende grondbeginselen van Rudolf Steiners anthroposophische paedagogie zijn, terug te keeren.
Niemand meer dan de rustige toeschouwers onder de anthroposofen zullen het betreuren, dat de ervaringen, welke de Vrije School moest opdoen, met zooveel debacles gepaard moest gaan. Zij kunnen slechts hopen, dat na deze ervaringen de School gezuiverd is en dat zij deze ervaringen uitbuit ten behoeve der nieuwe leerlingen in de mate als zij ze ten koste der vorige leerlingen heeft opgedaan. En hiervoor heeft zij, wanneer zij verder aan de bedoelingen van den stichter der anthrosophisch-paedagogische onderwijsmethode vasthoudt, alle mogelijkheid. Want uitbuiten van de ervaringen door verdieping naar binnen is zijn allereerste eisch. Heel het werk van Rudolf Steiner ligt voor den anthroposoof en niet 't minst voor den anthroposophlschen onderwijzer gereed om de innerlijke beweeglijkheid te ontwikkelen, waarmede ervaringen verwerkt en tot innerlijke diepten gevoerd worden. Dr. Steiner heeft geheel nieuwe gezichtspunten geopend over het wezen van de mensch en van den opgroeienden mensch, het kind. Omdat zonder die kennis het onderwijs en het kind niet langer konden "zusammenklappen". Waar aan een Rudolf Steinerschool het onderwijs mislukt, is dit een bewijs dat de innerlijke activiteit, de ware soepelheid, die tot ware menschenkennis voert, bij den onderwijzer nog niet is bereikt. Elpis mounê Theos esthlê, de hoop alleen is over: de anthroposophische onderwijzer wéét, waar hij te zoeken heeft om tot de ware innerlijke soepelheid te komen.
* * *
Dat ons oude Nederlandsche onderwijs voordeelen biedt, welke niet zoo maar moeten worden "prijsgegeven", kan ik maar van zeer betrekkelijke waarde achten, wanneer ik aan de drommen jammerende ouders van gymnasiumleerlingen denk, van wie de wanden van m'n Haagsche studeerkamer zouden kunnen getuigen. Wanneer er gunstige resultaten bereikt worden met de toepassing van een oud systeem op een nieuw geslacht, stammen die voordeelen van de persoonlijke eigenschappen van den onderwijzer, niet van het systeem. De geboren paedagoog breekt zijns ondanks door de grenzen van een systeem heen. Wie is de geboren paedagoog, de geboren dichter (ook al zet hij nooit een versregel op papier), de mensch aan wien niets menschelijks vreemd is? De eenige van alle leeraren aan mijn gymnasium destijds, wiens onderwijs ik me bewust ben, dat het vruchten voor me gedragen heeft, was de dichter j. H. Leopold. Kenmerkend is bv., dat onder de leerlingen de leus verbreid was: als het lot je in een klas terecht doet komen, waar je met Leopold Ovidius' Amores leest, ben je bij de goden uitverkoren, ja, juist de Amores. Het goede instinct der 15-, I6-jarigen, die aan de Ovidiaansche Amores toe zijn, verlangt in de verhouding van leeraar tot leerling niet een plat aufgeklärt-worden in zake de liefde — juist door den leeraar niét. Wat die leerling onbewust verlangt, is een fijn, omzichtig behandelen van het probleem, dat hem krachtens zijn leeftijd begint bezig te houden; door een ziel, van welke hij de wijsheid en ervaring aanvoelt. Bij Leopold voelde het instinct van den leerling: wanneer hij de Amores met ons leest, bestaat er geen oogenblik de kans der gewaarwording van een klap in je gezicht door een of andere grofheid, maar heb je een uur van fijne opmerkingen, zachte scherts, de ziel begrijpende, van inzicht in de ziel getuigende, geestige woorden. Na een uur heb je wat begrepen, ben je een heel klein beetje ook een wijs mensch geworden. — Doordat in dezen dichter al wat oorspronkelijk aan grof zinneleven in den mensch heerscht, in spiritualiteit was omgezet, kon hij zélfs de Amores, het précairste onderwerp, met zijn leerlingen behandelen. Wat géén der door den zoogenaam den hedendaagschen tijdgeest gegrepen leeraren vermag.
Waaraan in de praktijk de eerste grondregel der anthroposophische paedagogie en der anthroposophie in het algemeen: de noodzakelijkheid van het steeds verder streven voor zichzelf naar een grondige omzetting tot spiritualiteit, bewezen is. Om te kunnen onderwijzen, moet de mensch dichter worden in den breedsten en waarsten zin van het woord. Naast en boven de aanwijzingen in engeren zin voor het onderwijs, welke dr. Steiner gaf, is de waarde van zijn paedagogie de mogelijkheid, welke hij schiep, tot dit "dichterschap", dat in staat stelt het kind te verstaan, het aan te brengen wat bij het kind behoort, aan kennis en aan leven, aan levende kennis. Het oude onderwijs, ook het oude Nederlandsche onderwijs, is niet naar z'n ouderdom meegegroeid met de jongere generaties. Knelt daarom de jonge ziel in plaats van dat het deze omvat en leidt.
Dit hebben ook wij, niet meer schoolplichtige generatie, reeds aan den lijve ondervonden. Men hoeft trouwens slechts te zien naar het geslacht van heden, dat uit dit onderwijs geworden is. Dat wel een knappe techniek geschapen heeft, maar daarnaast ons een "beschaving" te zien geeft, welke als eenige oplossing vond, het menschengeslacht in een nog nooit aanschouwden algemeenen onderlingen oorlog te drijven.
* * *
Wanneer is Rudolf Steiner met zijn paedagogie gekomen? Nadat hij in den wanhopigsten naoorlogschen tijd in het het verscheurde Duitschland het met de menschen geprobeerd had. Door vele leden der Anthrosophische Vereeniging zelf werd hem kwalijk genomen, dat hij niet bij het "louter geestelijke" bleef — dat waren dan leden, die blijkbaar er nooit achter waren gekomen wàt ware geestelijkheid is — maar het was hem niet mogelijk naast den maatschappelijken chaos niet te oreeren. Hij knoopte aan de heerschende problemen aan, wees oplossingen, wegen uit den warboel. Wees de eenig mogelijke wegen naar een dragelijken toekomst, welke anders ondragelijk moest worden. Het was de tijd der zgn. Dreigliederungsvoordrachten. Men scheen een tijdlang te begrijpen: daar kan het vandaan komen, daar zitten de oplossingen. Wáár hij in Duitschland optrad, verdrongen de menschen zich om een staanplaats. Een Russisch journalist, die in die dagen uit Berlijn naar Den Haag kwam» zei me: Daar is het bezoek van zijn lezingen voor anthroposofen niets bij, 6000 menschen vechten om een plaats als hij spreekt. Dan .... werd het verder spreken hem onmogelijk gemaakt, de waanzin van het verward geslacht overheerschte, er knalden schoten.
Toen heeft Rudolf Steiner gezegd: met de menschen van heden gaat het niet meer, vangen we met het nieuwe geslacht aan. De Waldorfschool ontstond, tot in de finesses bereidde hij zelf de leeraren voor. Waar het met de menschen heengegaan is, ziet men; uitgekomen is zijn waarschuwing, dat het met den chaos steeds erger zou worden. Zullen we nu, omdat de jonge leeraren der Vrije School in Nederland zelf nog te leeren hadden, heel de paedagogie, welke Rudolf Steiner als uitersten uitweg voor een nieuw geslacht trachtte te geven, opzij schuiven en ons achterom wenden naar een paedagogie, die haar bankroet aan het thans volwassen geslacht bewezen heeft?
Laten we hopen en vertrouwen, dat de acht jaren ervaring ten slotte een geschenk beteekenen voor de Vrije School; zoodat ze thans niet alleen meer met methode, maar met methode plus ervaring werkt *). En laten we hopen, dat ze verbinding tracht te krijgen en te onderhouden met de op de plaats van dr. Steiners arbeid gevormde, hierboven vermelde "paedagogische arbeidsgroep aan het Goetheanum", waar het met den ernst van den anthroposophisch-paedagogischen weg nauw genomen wordt. Waar men weet: omvatten en leiden kan alleen de leeraar, die wat werkelijk geest is, uit den tijd gegrepen heeft en zichzelf heeft opgegeven om zich aan deze tijdgeestelijkheid te wijden. In zóó'n leeraar gelooft het kind. Zelfopvoeding is de eenige voorwaarde voor opvoeding. Zelfkennis de eenige voorwaarde voor het aanbrengen van kennis. Belangstelling voor den mensch als wezen de eenige voorwaarde voor het wekken van belangstelling.
Adelyde Content
*) Intusschen zijn, als de klacht van den Leidschen rector en als de beschouwing van onze medewerkster gegrond zijn, de leerlingen van dit gebrek aan ervaring hunner leeraren de dupe geworden. — Red.
terug naar Artikelen