terug naar Artikelen

25.12.1929, Het Vaderland

Kerstbrief uit Dornach

Steiner en Homerus

(Eigen brief)

DORNACH. 21 December.

     Beneden in het dorp brengt elke tram met bagage, bepakte menschen aan. Schooljongens kruien op hun trekwagentjes koffers den berg op. Wààr je over de bergpaden gaat, zie je uit alle windstreken weer opgedoken, blij-nieuwsgierige gezichten op je afkomen. De Weihnachttagung is in aantocht.

     Wonderlijk, tot nog toe hebben we hier vrijwel nog geen kou gehad. Goeie vrinden uil Holland, die, op weg naar de Zwitsersche sport, me nu en dan in dit internationale oord der philosophie in Zwitserland even hun belangstelling komen betuigen, vroegen verwonderd: hebben jullie hier altijd zomer? Klaar nu opeens, nu je net gedacht hadt: nee, dat kan toch niet, dat is toch geen Kerstmis in Zwitserland, zon en wat zoele wind en een regenbui, nu legt in één nacht Natuur haar halsstarrige luim af en schept, terwijl je voor een wijle je oogen sluit, met virtuoos gebaar het Dornach winterlandschap. Als je je oogen opent, staan de bergen rondom in de sneeuw en dragen hun kouden adem naar dit lager gelegen oord. Welke koude adem, dan straks, als de zon boven de sneeuwbergen uitgerezen is, een tintelend wisselspel begint met de zegevierend-neerstralende zonnewarmte. Maar nog niet is, na een korten dag, de zon achter de bergen verzonken, of de sneeuwadem van de bergen is alleenheerscher, door 'n bibberend beamen: ja, het is winter....

Kerstmis.

     In den herfst had ik de gelegenheid, in mijn brief er van te vertellen, hoe dr. Steiner zijn hoorders en lezers altijd weer de noodzakelijkheid voor oogen hield, wanneer men komen wilde tot een inzicht in het wezen van den mensch en in het wezen van het heelal, den kringloop van het jaar intensief mede te doorleven. Het herfststerven van de natuur — een sterven, waaruit geest opbloeit, zoowel in het aardlichaam, dat Steiner als één levend organisme aanwees, alsook in den mensch — behoorde men evengoed te beleven en zich bewust te maken als het opbloeien der natuur in de lente. In de lente begint de aarde, aldus dr. Steiner, als het ware de aardziel uit te ademen; alles stroomt naar buiten. Dit houdt den zomer door aan. Het wemelt daarbuiten aan wat, zichtbaar en onzichtbaar voor sterfelijke oogen, zomerleven is. In den herfst begint de aarde weer in te ademen, trekt ze zich met haar gansche wezen in zichzelve terug. Daarbuiten sterft de natuur. Nooit echter is de aarde in zichzelve meer levend, dan wanneer ze, begonnen in den herfsttijd, ten slotte in den tijd, die voor den aardemensch het donkerst, het meest dood lijkt, vol heeft ingeademd: de tijd, dat ons onbewust verlangen een sneeuwkleed om de aarde wenscht, om dat diep in ons bewustzijn-geweten levend aardorganisme veilig te omhullen en af te sluiten. Het hart van het kind is in dezen gelijkelijkwijs als dat van den grootvader en vraagt: Een witte Kerst!

     In mijn Homerustrieb knoopte ik aan Vergilius. Ik kom hiermede de intimiteit biechten, dat ik me in den Kersttijd steeds tot Homerus gedreven voel. Vroeger heb ik mezelf daarover wel eens verwijtend onderhanden genomen: wat zijn dat voor heidensche impulsen? Sinds lang echter schaam ik me totaal niet meer voor mijn Homertrieb, zooals ik dat noem, tegen Kerstmis. Elke neiging, die je doorzien hebt, schaadt niet meer. Het zoete is zelfs, dat het je nu en dan ook kan passeeren te ontdekken, dat je neiging wijzer was dan je verstandelijk zelfverwijt. Zooals de geleerde meestal achter den dichter aankomt met zijn vondst.

     Gisteravond ben ik voor dit jaar nogmaals aan mijn Homertrieb ten offer gevallen. Het zondige element van elken natuurtrieb, n.l. geesteszwakte, was dezen keer wel degelijk aanwezig. Ik had me n.l. voorgenomen, mijn lezers in Holland uit het Zwitsersche Kerstlandschap iets van de Kerststemming om het Goetheanum heen over te brengen. Uit mijn eigen Kerststemming nam ik een der vele Kerstredevoeringen van dr. Steiner. Zooals élk mensch, die den weg naar deze bron eenmaal gevonden heeft, uit een opvolgen van de aanwijzing, om het opbloeiend en stervend jaar mede te leven, onwillekeurig op bepaalde hoogtepunten van het jaar naar redevoeringen uit die bepaalde jaarperioden grijpt. Altijd spreekt sterk, of men voor, laten we zeggen 1912, 1913, 1914 of andere jaren neemt, uit de omtrent Paschen gehouden redevoeringen. Steiners diep doorvoelen van de Paaschgebeurtenis in verband met mensch en kosmos; uit den omtrent den Herfst-Michaëlsdag gehoudene zijn onherroepelijk bewustzijn van den strijd van natuur en geest in kosmos en mensch. Bijgewoond heb ik het echter in Dornach, hoe van aanvang December, van Advent, af, Kerststemming en Kerstwijsheid in zijn redevoeringen begon te heerschen.

     Gisteravond nu had ik willekeurig een greep in mijn boekenkast gedaan en een Kerstvoordracht van 1915 gevischt. Die goldene Legende und ein deutsches Weihnachtsspiel. De gouden legende dreef me, in mijn door het lezen verhoogde Kerststemming, naar Homerus Want hij de edele wijsheid, die me uit de Goldene-Legende-redevoering toestroomde, doemde het ver in mijn bewustzijn voortdurend op: dit wist Homerus toch....

     En toen ik eenmaal in dien tegen alle tijden en alle stormen opgewassen oer-epicus Homerus las, heb ik me natuurlijk "verlezen". M'n Kerstgroet naar Holland werd kind van de rekening. Maar als een schoolkind doe ik boete. Vanavond gaan in den Bau de mysterie-drama's. Ik ga er niet heen. Het machtige woord en de kleurenpracht zullen voorbij trekken alsof ik niet op eenige meters afstand tegen de helling van den berg zat. Alleen wie de Dornachsche mysteriedrama's met zijn hart aanschouwd heeft, weet, dat deze positie zelfkwelling beteekent. Maar in de hoop, dat deze Dornachsche Kerstgedachte belangstellenden nog "in den heiligen Weihenacht" bereiken, neem ik de rol van schoolblijven op me.

     En om te toonen. dat mijn Homertrieb gisteravond me niet enkel gedupeerd heeft,

ga ik iets te berde brengen van het weer opgevischt verband tusschen wat een oer-Griek als Homerus aan weten in zijn werk neerlegde en de perspectieven, die Steiner in onze tijden naar het verleden en naar de toekomst opende.

     Het was een donkere tijd, waarin Steiner de bewuste redevoering hield. Kersttijd 1915. Hij begon met de ongeloofelijk schoone woorden en strofen, waarmede hij heel den oorlog door elke rede aanving, zijn auditorium vragend zich door deze woorden te verbinden met hen "die draussen stehen auf jenen Eeldern der Ereignisse und einzutreten haben mit Seele und Leben für die grossen Aufgaben der Zeit". En vervolgens, met eenige wijziging in de formuleering, met hen "die schon durch die Pforle des Todes gegangen sind in dieser Zeit der schweren Menschenaufgaben infolge der grossen Anforderungen unserer Gegenwart". Men bedenke hierbij, dat Steiner onzen tijd zag als een keerpunt in den grooten stroom der menschheidsontwikkeling, welk keerpunt helaas niet als een noodzakelijke geestelijke wending werd herkend, waardoor het de geweldigste aardsche catastrofen in zijn gevolg sleepte.

     Met haat en vijandschap staat hel eene volk tegenover het andere; bloed; veel bloed drenkt onze aarde, zei hij. En toch vraagt hij te gedenken het uit verborgen diepten der aardontwikkeling klinkende: Vrede den menschen op aarde. Eén gedachte is er n.l., die ons bij deze aloude woorden nog dieper treft dan in andere tijden. De gedachte, dat — hoe vijandig de eene mensch ook tegenover den anderen staat, de een den ander thans den dood aandoet — ze toch allen gaan door één en dezelfde poort des doods, veelal met één en dezelfde gedachte aan den goddelijken Leider naar het Licht, den Christus. Boven bloed en haat heerscht een verbonden-zijn in de Eéne, die de harten vereenigd heeft door iets hoogers dan wat de menschen op aarde scheiden kan.

Onze kennis ons kruis

     En dan vangt Steiner aan te schilderen, uit zijn alomvattende kennis van geschiedenis en volkszeden, hoe in verschillende streke in oude tijden getracht werd, het volk door voorspellingen over de mysterieuze Kerstgebeurtenis te beleeren. Maar hoe hieraan dan voorafging een voorlezing of ook wel primitief-reëele voorstelling van het Scheppingsverhaal. Van dit intuïtief verband leggen tusschen het gewijde Kerstgeheim en den aanvang van het Oude Testament, is nog slechts een spoor te vinden in den kalender, waar de dag voor Kerstmis als de dag van Adam en Eva staat aangegeven.

     In die oude voorstelling kwam nog uit, hoe, nadat door het weerklinken van hel Wereldwoord de schepping ontstaan was, er door het ingrijpen van de slang, van Lucifer, iets anders uit den mensch geworden was dan wat de Godheid oorspronkelijk met hem voorgehad had. Adam heeft gegeten van den boom der kennis, hij ziet en weet. Het weten eerst maakt schuldig. (Ter oriëntering: nadat èn doordat het weten menschheidseigenschap geworden is, is ook het niet-weten tot schuld geworden.) Adam sterft: de zondige mensch rust in het graf. Maar uit Adams graf, zoo zegt de overlevering, uit de aarde waarmede Adams lichaam zich vereenigd heeft, spruit de uit het paradijs gerukte boom der kennis omhoog. En de overlevering zet de geschiedenis van den boom voort: de boom, die eens in het Eden stond, die dan opnieuw omhoog gesproten is uit Adams graf uit de zondige aarde, wordt versneden tot een kruis, waaraan Christus Jezus zich offerde. Wat is ons hiermede verteld? Verteld is ons, dat de kennisboom in het Eden ons een ander weten had willen bemiddelen als hij dat doen kon, wortelend in de, door Adams lichaam zondig geworden, aarde.

     De kennis voert ons tot daden op aarde, die bij onze oorspronkelijke schepping niet zoo bedoeld waren. De boom op Adams graf, onze kennis, wordt ons tot een kruis. Als zoodanig moeten we den boom der kennis, waarvan we immer nog eten, herkennen. Van het verwerven van een nieuwe verhouding tot dien boom, hangt alles af. De Christus offerde Zijn bloed aan dien boom, aan het kruis op Golgotha, opdat de zondige Adamsaarde van dit bloed doordrongen werd. En op aarde de mogelijkheid van verlossing uit den ban, waarin Lucifer den mensch uit Gods macht ontlokte, geschapen werd. Alles hangt af van een nieuwe verhouding tot het Kruis. Van een nieuw Verbond.

De mensch en het kind

    Zie hier de strijd van den mensch op aarde. Maar Steiner werpt ons voor het eerst een licht over dat ,,hooger Ik" van den mensch, waarover zoo dikwijls te hooren is, zonder dat hij, die het woord gebruikt, daar eigenlijk een eenigszins positieven zin mede verbindt. Er is een bezit van den mensch, zijn allerinnerlijkste kern eigenlijk, die zich niet mede begeeft op den donkeren, zondigen aardegang. Die innerlijkste kern, die nog eenige jaren na de geboorte aanwezig blijft, scheppend en vormend aan het kind arbeidt, blijft op een bepaald punt staan, onthoudt zich van den verderen gang door het aardeleven. Het is het punt, tot waar onze herinnering teruggaat. Daarvóór reikt ons aardebewustzijn niet. Het is wel het onbewust gevoel van de aanwezigheid van dit hoogere regionen toebehoorend element in het kleine land, dat alle harten ervoor verweekt.

     Hel allerdiepste Ik houdt zich terug en wordt pas weer gevonden en opgenomen door den mensch, wanneer hij, na het gekruisigd aardeleven te hebben doorgemaakt, door de poort des doods gaat. Het jongst echter blijft die mensch, die het meer vermag het verband met zijn kindsheid in stand te houden. Het verband met dat geestelijke deel van hem, waarvan gezegd is: Laat de kinderkens tot mij komen.

     Het Christuskind in de kribbe herinnert den mensch aan zijn eigen reine geestelijke deel, dat in de werelden, waar het thuis hoort, is achtergebleven. Wanneer in het donkerste tijdstip der aarde de Christusgeboorte, de Lichtgeboorte, plaats heeft, wordt de mensen voor een oogenblik wederom verbonden met zijn eigen onschuldig lichtbezit, waarvan hij zich verwijderd heeft, toen hij naar de aarde nederdaalde.

Odysseus en Penelope.

     En nu Homerus. Wanneer men eens de door den paradijsval omlaaggesleurde geleerdheid aflegt, zal men hem anders gaan lezen dan men hem gedurende eenige duizenden jaren las en ontdekken, wat hij aan verheven weten bewaarde. In zijn Odyssea schildert hij in waarheid dit achterblijven van de reine Ik-natuur van den mensch, wanneer de held, Odysseus, zich op den weg begeeft der aardsche lotgevallen. Penelope blijft "thuis" en wacht. In de wereld, tot in de onderwereld toe, worstelt Odysseus met gevaren en machten. Tot hij, met ervaring en kennis verrijkt, terugkeert bij het innerlijkste van zijn ziel, dat zich rein bewaarde. Dat zich niet medebegaf in aardsche verwikkelingen, maar des nachts ongedaan maakte, oploste datgene, wat de dag had doen ontstaan.

     Lezer, indien gij enigermate het Grieksch machtig zijt — leg nu schoolgeleerdhoid en schooltraditie voor dezen Kerstmis eens af en lees het 23ste boek van de Odyssea eens zonder de profanatie van zwoelgeurende, aan het paradijs ontrukte kennisvruchten. Lees daar de wederkomst van den uitgezworven Odysseus bij zijn Penelope als menschheidsgeschiedenis, als inwijding-geschiedenis. Houd vooral zuiver de teere plaats, waar Penelope een herkenningsteeken verlangt, dat de teruggekeerde waarlijk haar eigen weggezworven deel is en hem op het punt van kennis omtrent den bouw van hun bruidsbed op de proef stelt. En overlees als ik het gisteravond deed in Odysseus' verhaal van hoe geen mensch en geen god dat bruidsbed van zijn plaats zou kunnen rukken, aangezien hij zelf het bouwde om den aan een zuil gelijken stam van een aan den boom ontsproten olijfboom, die tot op den grond door hem afgeknot werd. Odysseus, de inleider van het Grieksche tijdvak, moest de legerstede, waar hij zich met zijn reinste Ik wederom vereenigt, bouwen op den boom, die den Griek, den eersten kenner der aarde, heilig was: op den olijf. Door Lucifers daad is eerst op het hout uit de aarde, op den bodem van aardsche ervaring, een terugvinden van den reinen geest mogelijk.

     Uit de mondelinge overleveringen, waaruit ten slotte betrekkelijk laat eerst de Odyssea is opgeteekend, vermelden we er een uit Thesprotië, waar de bewuste held Odysseus zich om den tijd van het winterkeerpunt der zon wederom met zijn Penelope vereenigt.

     De dichter, die in ieder mensch zit en dien hij dankt aan de verbinding met zijn achtergelaten Penelope thuis, drong me onbewust omtrent den tijd van het winterkeerpunt steeds naar Homerus, zonder dat mijn geleerde deel, dat der aarde behoort, hier controleeren kon. Het herstel van de controle over m'n Homer- en nog zoovele Triebe dank ik, ik ervoer het ook dezen Kersttijd weer, de zuivere, "gekruisigde" kennis van Rudolf Steiner....

     En intusschen is het ook hier beneden aangevangen te sneeuwen. Zacht legt zich het hullende kleed over de plaats, waar Rudolf Steiner leefde en werkte. Sneeuw hult zijn Goetheanum in, alsof ze er een aardlichaam-in-het-klein van maken wil, waarbinnen in, bij de naderende Weihnachtstagung, de geest op zijn intensiefst werkzaam moge zijn. Het Goetheanum wacht zijn Kerstgasten.

                                                                                                                                                            Adelyde Content.

terug naar Artikelen