terug naar Publicaties
Commentaarbrieven VI
COMMENTAARBRIEVEN BIJ DE MYSTERIE-DRAMA'S
VAN
RUDOLF STEINER
DOOR
ADELYDE CONTENT.
"DIE PFORTE DER EINWEIHUNG"
IN AANSLUITING AAN HET EERSTE BEDRIJF - STRADER, THEODORA
ZESDE BRIEF, 1947
De lange rede van Capesius, de eerste uit
den kring om Johannes, die zichzelven uitspreekt in het 1ste bedrijf,
eindigde met de formuleering van wat Capesius als belevenis heeft over de
verhouding van zijn wezen tot wat in de invloedssfeer van Benedictus heerscht
en omgekeerd. We wezen erop, hoe Johannes in het rijk van den Geest der
elementen (4e bedrijf) tot het bewustzijn zal komen van de realiteit, die ten grondslag ligt aan
Capesius' gewaarwording.
Maar mèt Capesius zal Strader voor Johannes in het elementair rijk zichtbaar
worden en ook omtrent Strader zal Johannes ervaren, hoe diens wezen in dat rijk
niet verdragen wordt. In het eerste
bedrijf valt dan ook op de woorden van "den Griek", Professor Capesius,
prompt "de Romein", Doktor Strader, als hij begint zich uit te spreken,
bevestigend in:
Ich muss im vollsten Sinne mich
bekennen
Zu euren letzt gesprochnen Worten.
En dan vervolgt met nog grooter nadruk de Romein, die, minder nog dan de Griek,
waarde kan hechten aan ideeën (de idee bij Plato is immers, zelfs als men het
woord vertaalt, nog: het geziene, het geschouwde; het zijn de ideeën, waarvan
"de Griek Goethe" tot Schiller zeggen moest: ik zie die ideeën met oogen),
Strader:
Und schärfer möchte ich sogar betonen,
Dass alle Wirkung auf die Seele,
Die wir erblühen sehen aus Ideen,
Entscheiden darf in keiner Weise,
Was an Erkenntniswert sie bergen.
Voor den uit het Romeinendom geboren natuurvorscher-in-het-heden geldt als
Erkenntnis dat, wat hem aan voor de phaenomenen open oog en oor en het
registreerend denken opgaat.
Ob Wahrheit oder Irrtum
In unsrem Denken lebt,
Darüber kann allein nur richten
Des echten Wissens Wahrspruch,
Als alle ervaringen van Die Pforte der Einweihung zullen liggen tusschen wat
met een groote mate van zekerheid Strader hier als eerste uiting doet hooren —
hier, waar we voor het eerst den kring
zien samentreden — en wat in het
praeludium van het slotbedrijf Retardus in den tempel tot hem moet zeggen,
zullen we Strader's innerlijke positie uit die eerste rede pas op haar
werkelijke waarde beluisteren,
schatten kunnen. Voor het punt, waarop de wetenschapsmensch Strader thans staat,
is vanzelfsprekend nog niets bewezen van wat hij in den Benedictus-kring
hoort en gewaarwordt :
Und niemand sollte ernstlich leugnen,
Dass solcher Prüfung wohl in keiner Art
Gewachsen sich erweisen kann,
Was hier nur scheinbar klar sich
zeigt,
Und Lösung höchster Lebensrätsel bieten
will.
Es spricht berückend zu dem Menschengeist,
Und lockt doch nur des Menschen gläubig
Herz.
Zooals Retardus Capesius in den
tempel herinnerd heeft, dat hij hem, wat de aarde betreft, centrifugaal geleid
heeft (11. Bild) :
Capesius, ich gab dir hohe
Geistesart …
zoo schildert hij er zijn centripetale leiding van Strader als het ware door
een pijl omlaag:
Dir, Strader, öffnet ich den Weg
in sichre Wissensbahnen.
Het phaenomenen controleerend
verstand, het strenge natuurwetenschappelijk denken zijn de Retardus-gaven,
waardoor Strader een bolwerk had moeten zijn tegen wat als nieuwe gaven uit de
geestelijke wereld in moet stroomen in den Johanneskring en vandaar in de
menschheid :
Du solltest durch das strenge Denken
Die Zauberkraft der Geistesschau zerstören.
Doch mangelt dir des Fühlens Sicherheit.
Die Kraft des Denkens, sie entwand sich
dir,
Wo dir Gelegenheit zum Sieg sich bot.
Des Fühlens Sicherheit (in die Erde hinein) ontbrak Strader, zoo moet Retardus
het noemen. Door dit falen der gevoelszekerheid verliet Strader de kracht van
het denken juist daar, waar het om het uiterste ging (alweer volgens Retardus).
Dat was wel bij uitstek op dat oogenblik, waarop voor het eerst Theodora's
aanwezigheid zich deed gelden. Theodora, het den aetherischen Christus
schouwend vermogen, de verbinding met de wereld van den Christus. Daar is hèt
moment, waar het strenge denken voor den natuurwetenschapsmensch als reïncarnatie
van den Joodschen arts uit de
middeleeuwen stokt, uitvalt, maar dit
ééne moment vacuum is het, waarin dan
juist de Christus kon ingrijpen. Het beteekende de overwinning voor Strader.
Een waarheid spreekt Retardus uit, die een waarheid is in dubbelen zin, het
tweesnijdend zwaard der mysterietaal :
Die Kraft des Denkens, sie entwand sieh
dir,
Wo dir Gelegenheid zum Sieg sich bot.
In hoogeren zin heeft Strader op dát
moment "gesiegt". Hij valt zelf aan de Zauberkraft der Geistesschau, die hij
had moeten vernietigen, in principe ten offer. Waarvan een tweede "Sieg",
die
een nederlaag lijkt, op een kritiek moment het gevolg zal zijn ; nl. daar, waar
hij in het 8ste bedrijf voor
het portret, dat het wezen van zijn vriend en tegenpool Capesius openbaart,
"die Grenze des
Erkennens" ervaart. En zijn
wanhoopskreet tot Capesius gaat:
Wenn so die Sache stünde,
Dann wäre alles Denken nichtig
Und Wissen nur ein Wahngebilde.
Verlieren müsst ich mich in jedem Augenblick.
Waar Strader het hersengebonden denken een oogenblik op kan geven, kan de
geestelijke wereld ingrijpen, zich hem te kennen geven. Hij verliest zijn
aardsche Ik, om zijn ware Ik te vinden. Zóó
de weg van Strader, ons gekenschetst vanaf zijn allereerste betoog over wat hij
onder Benedictus' leiding hoort en ziet gebeuren:
Es spricht berückend zu
dem Menschengeist,
Und lockt doch nur des Menschen gläubig
Herz... ,
tot Retardus' kenschets in het laatste bedrijf van wat hij had móeten doen maar
nagelaten heeft:
Du solltest durch das strenge Denken
Die Zauberkraft der Geistesschau
zerstören.
Strader heeft zich zóó ver,
consequent denkend en waarnemend, tot aan de grenzen van het zintuigelijke
getast, dat van den anderen kant het bovenzinnelijke hem tegemoet kan komen;
"die Zauberkraft der Geistesschau" zieht ihn hinan. Hem, den natuurvorscher, wiens oordeel in het
begin over "was hier nur scheinbar klar sich zeigt" moest luiden :
Man meint zu öffnen Türen in die Reiche,
Vor denen ratlos und bescheiden
Die streng bedächtge Forschung steht.
Niet "ratlos und bescheiden vor den Türen stehen", maar trachten door te
stooten naar die andere rijken, was de weg, die vóór Strader lag; d.w.z. vóór hem,
die opeenvolgende levens — in het Romeinen-dom, in de Middeleeuwen -- op zich genomen had, die hem uitgesproken van die
rijken verwijderden. Dit zijn offer. En dit dan ook de reden, dat de
levensrol van Strader in den kring die is van den oerworstelaar.
Hoè grondig Strader zich zal moeten herzien, zal Johannes, gelijk ten opzichte
van Capesius, voor het eerst ook ten opzichte van Strader in het vierde
bedrijf, in het rijk der elementen, aan het
bewustzijn kloppen. Op aarde, in het
eerste bedrijf, hoort hij Strader in ware trouw, in goede trouw, uit het diepst
van zijn wezen uit zeggen :
Und wer in wahrer Treue
Zu dieser Forschung lebt.
Ihm ziemt es zu bekennen,
Dass niemand wissen kann,
Woraus des Denkens Quellen strömen
Und wo des Daseins Gründe liegen,
In het 4de bedrijf hoort hij met dezelfde trouw Strader den Geest
der elementen zijn weg van worsteling aangeven, en vaststellen:
Man glaubt mir, was
Aus tiefstem Wahrheitssinn
Ich Menschen anvertraut.
Maar in dat elementair rijk wordt zelfs die goede trouw, die diepste
waarheidszin in twijfel getrokken, als dat rijk met losbarstende bliksem en
donder moet antwoorden, en met:
Es ziemt dir zu bekennen
Dass niemand wissen kann …
waarop dan de in Strader levende, in het eerste bedrijf uitgesproken gedachten uit dit aan de aarde grenzend rijk teruggegeven worden:
Woraus des Denkens Quellen strömen,
Und wo des Daseins Gründe liegen,
Welk gebeuren alleen nog pas
Johannes zich tot bewustzijn brengen kan. Strader zelve kan zijn beleven niet
met zich het bewuste leven in redden. Zintuiglijke en bovenzinnelijke wereld
zijn voor hem nog gescheiden. Maar in het 1ste bedrijf is ons
duidelijk geformuleerd hoe deze strijder, die zich nog aan den kant van het
zintuigelijke bevindt, de wáre strijder is, die zich de grens tusschen beide
werelden onomwonden tot bewustzijn
brengt en die lijdt aan de grens, aan de begrenzing. Uit diepste
innerlijke Sehnsucht naar het
bovenzinlijke :
Wenn solch Bekenntnis auch recht hart
der Seele wird,
Die allzugern ergründen möchte,
Was jenseits allen Wissens liegt: Der
Denkerseele drängt ein jeder Blick, Ob er nach aussen sich bemüht, Ob man ins Innre ihn gerichtet hält, Des Wissens Grenze doch gewaltig auf.
In hoevele variaties heeft Rudolf Steiner het uitgedrukt:
Suche im Umkreis der Welt / Und du
findest dich als Menschen. /
Suche im eigenen menschlichen Innern/Und du findest die Welt.[1])
Moed en volharding – Romeinsche
eigenschappen bij uitstek – zijn noodig om het doel te bereiken, het vinden te
verwerkelijken. Gewaagd moet worden; een wagen zich te verliezen: in de
wereld,
om zich te vinden; in de eigen ziel, om de wereld te vinden. De meest
waardevolle overwinning is voor dengeen, die het sterkst het stooten op de
grens beleefd heeft. Voor den "Romein", wiens wezen het is, elken duim
grond vast te houden zoolang niet een "duim" zekerheid in het bodemlooze
verkregen is, ligt aan de grens het probleem in zijn culminatie: zal hij
vasthouden aan wat hij, de
Romein, op de aarde ervoer, wat aardsch vernuft hem als het juiste
compromisloos door-
deed denken, halt houden, wijken of stooten?
Verleugnen wir Vernunft
Und was Erfahrung uns gewährt,
So sinken wir ins Bodenlose.
Tot het zoo noodige umdenken
lernen, waar Rudolf Steiner heen wees en heen voerde, is uiteraard het
Capesius-denken eer in staat dan het starre Strader-denken. Het Denken-an-sich
neigt gemak-
kelijker tot spiritualiseering dan het
aardgebonden natuurwetenschappelijk denken. Voorshands eischt Strader nog — de
tegenstelling tot een "Umdenken" — dat het denken uit den Benedic-
tus-kring aangepast zij aan het oude denken :
Und wer vermöchte nicht zu sehn,
Wie wenig unsrer Denkungsart
Im Ernst sich fügen will,
Was hier als neue Offenbarung gilt.
En als een manifest voor vaste grondslagen klinkt ten slotte het betoog van den
Romein uit:
Es braucht fürwahr nicht viel,
Zu zeigen, wie so ganz ihr fehlt,
Was allem Denken feste Stützen gibt,
Und Sinn für Sicherheit verleiht.
Terwijl we als allerlaatste woord zullen
hooren klinken het woord "Schwärmerträume" .
Die Herzen
wärmen mag die neue Offenbahrung;
Der Denker sieht in ihr nur Schwärmerträume.
De middenkrachten van den mensch, de hartskrachten, liggen voor Strader, den
naar de aarde gewenden ledematenmensch, als realiteit noch verre. Ietwat geringschattend
stempelt hij de nieuwe openbaring tot weldaad misschien voor de hárten; het
Straderdenken kan ze slechts aandoen als "Schwärmerträume".
Merkwaardig voor ons is, hoe de nu volgende bladzijden als het ware alle
opgeroepen schijnen uit dit "Schwärmerträume", waarin Strader deed
uitklinken, wat hij te zeggen had. Tot daar, waar de
krachten van het midden, de hartskrachten, zelf in den kring het woord nemen in
de figuur van Felix Balde, is alles, wat gesproken wordt, reactie op Strader's
uiting; het gaat alles tót Strader en óm
Strader. De "Geist van Maria's
Seelenkraft", Philia, de Empfindungsseelenkraft, is de eerste, die
reageert, en na het antwoord van Strader weerklinkt dan Maria's
Bewusstseinsseelenkraft, Luna.
Uit deze bewustzijnszielekracht wordt dan als het ware Theodora opgeroepen,
Strader's Schicksal. Dan volgen Maria en Capesius, die bij de
"Schicksalsbegegnung" Strader—Theodora elk een rol
te vervullen hebben, Maria een bemiddelende, Capesius die van een tegenspeler,
in zoover hij met het Iouter logisch denken tegen het machtig onzichtbaar
Schicksal strijdt en daarmee Strader de
onmacht van het denken tegenover de realiteit van het Schicksal doet
gewaarworden. Waardoor dan tenslotte de derde zielekracht, die van het midden,
Astrid, de Verstandes- oder Gemütsseelenkraft, voor Strader wordt opgeroepen,
die in wisselgesprek met de beide polen Capesius en Strader dan de
middenkrachtdragers zelf, Felix en Felicia, in den kring roept.
Zoo antwoordt dus op de rede van den nuchteren, verstandelijken wetenschapsman
het eerst de "Geist van Maria's Empfindungsseelenkraft" Philia. Men kan
ook zeggen: Strader's Empfindungs-
seele krijgt het eerst een antwoord,
wordt aangesproken.
So sprechen wird wohl stets
Das Wissen, das erobert ist
In Nüchternheit und mit Verstand.
Doch andres muss die Seele haben,
Die an sich selber glauben soll.
Dat, wat Empfindungsseele in de ziel is, streeft naar iets anders vóór ze
bevredigd is, zich voor zichzelf rechtvaardigen kan. Het is de kracht der
Empfindungsseele, die heendrijft naar dat, wat ze
"ahnt", naar den geest.
Sie wird wohl
stets auf solche Worte hören,
Die ihr vom Geiste sprechen.
Was dunkel sie schon vorher ahnen konnte,
Erstrebt sie zu begreifen.
En op het ignoramus – ignorabimus van Strader:
Wenn solch Bekenntnis auch recht hart, der Seele wird,
Die allzugern ergründen möchte,
Was jenseits allen Wissens liegt:
Der Denkerseele drängt ein jeder Blick
… … … … … … …
… … … … … … … … …
Des Wissens Grenze doch gewaltig auf,
antwoordt tot slot de
Empfindungsseele:
Zu reden von dem Unbekannten,
Es kann den Denker locken;
Doch niemals Menschenherzen.
Hoe Strader's Empfindungsseele
aangesproken is, blijkt reeds uit den aanvang van zijn antwoord:
Ich kann empfinden,
Wie viel in solchem Einwurf liegt.
Maar juist het aangesproken-zijn in
de Empfindungsseele heeft tot gevolg, dat Strader thans, in het beleven van het
karakteristieke van zijn eigen persoonlijkheid, zich begint te schilderen als
de
tegenstelling van den Griekschen mensch, die leeft van het Denken- an-sich, los
van de aardeverschijnselen. Welke mensch voor een Strader slechts een
"Grübler" kan heeten.
Er trifft die blossen Grübler,
Die nur des Denkens Faden spannen,
Und fragen, was aus dem und jenem folgt,
Das sie erst selber sich als
Meinung bilden.
Het ontwikkelen van de eene gedachte uit de andere, los van phaenomenen, kan
volgens een Strader tot niets anders leiden dan tot: een meening.
Doch kann er mich nicht treffen.
Ich habe nicht Gedanken mich ergeben.
Weil äussrer Anlass mich geführt.
De Romein geeft zich niet over aan gedachten, gedrongen door een oorzaak
van buitenaf: Het abstracte denken.
En hier is nu het oogenblik aangebroken, dat Strader, op de wijze, waarop hij
dit wel doen moet, zich op Philia's uiting van den drang van de
Empfindungsseele naar den Geest, zich als geestzoeker gaat schilderen. D.w.z.
het stuk leven totnogtoe op aarde schildert van een ziel uit het Romeinendom. Een naar de aarde verwezen mensch noemden wij den Romein. In dit licht kunnen
we dan ook de beschrijving van het aardeleven van den betrekkelijk nog jongen
Strader lezen als een snelle herhaling van de geschiedenis van heel de, de
geestelijke wereld ontzonken, menschheid. Die in kinderlijken eenvoud de
verloren hemelen terugzoekt.
Ich wuchs als Kind heran
Im Kreise frommer Leute,
Und sah Gebräuche
Die meinen Sinn berauschten
Durch Bilder jener Himmelreiche,
Die man der Einfalt
So trostesreich zu schildern weiss.
In meiner Knabenseele
Erlebte ich die wahrsten Wonnen,
Wenn ich im Aufblick schwelgte
Zu höchsten Geisteswelten;
Und beten war Bedürfnis meines Herzens
Bij de Rückschau in de middeleeuwen in het 2de drama zullen we, in
het 8ste bedrijf, over den strijd van den Joodschen arts Strader
hooren, den strijd om verbinding met het Christuswezen, dat door
de tempelbroeders, in wier omgeving hij leeft en werkt, in zijn esoterische
waarde gezocht en gehoed wordt. We zullen hem tot den grootmeester
hooren zeggen :
Zu euren Lehren fühl ich mich gezogen,
Die von dem Geisteswesen offenbaren,
Das aus dem Sonnenreiche niederstieg,
Und durch des Menschen Sinnenform
erscheinend,
Begreiflich wollte Menschenherzen
werden.
Verschliessen kann ich mich der
Schönheit nicht,
Die eurer edlen Lehre eigen ist;
Und kann ihr doch die Seele nicht
ergeben.
Ich muss des Menschenwesens Urgestalt
In eurem Geisteswesen wohl erkennen,
Doch hält mich trotzig ab mein
Eigenwesen,
Wenn ich mich gläubig an sie wenden will
So muss ich in mir selbst den Krieg
erleben,
Der aller äussern Kämpfe Urbild ist.
… … … … … … …
… … … … … … … … … … …
Und oft sogar erfüllt mich Furcht und
Sorge,
Es könnte dieses Zweifels wirrer Rest,
Durch meine künft'gen Erdenleben ziehn.
De strijd van de Straderziel in de middeleeuwen heeft tot gevolg een, na
hergeboorte, meteen in de jeugd zwelgen in het omhoogblikken naar hoogste
werelden van den geest …
Und beten war Bedürfnis meines Herzens.
Tot een vluchtig inhalen komt het
zelfs van het misgeloopen hebben van een leven in het Christendom, zooals zich
dit in dien tijd geuit had als een geloof voor de algemeenheid, als Katholi-
cisme. De Joodsche incarnatie wordt als het ware snel hersteld :
Im Kloster ward ich dann erzogen,
Und Mönche waren meine Lehrer;
Und selber Mönch zu werden
Ward meines Innern Sehnsucht,
Und meiner Eltern heisser Wunsch.
Geboren is de Straderziel in dit leven zóó, dat zij, die hem in het eerste
tijdperk hoedden, hem stuwden naar het ambt van monnik, waarheen hij zelf
innerlijk reeds getrokken werd uit Sehnsucht
naar het middeleeuwsch beeld van Maria als monnik, het Christendom in zijn
toenmaligen vorm op aarde, het exoterische Christendom – dat hij tóen niet had
kunnen bereiken, zoo min als hij de tempelbroeders met den esoterischen
Christus bereikte.
Maar niet was de groote Straderziel ertoe bestemd, dit leven te geven aan het
Katholicisme, Katholiek priester te zijn. Er was slechts sprake van een snel
inhalen van het verzuimde in een vorig leven; door den Jood Simon uit de
middeleeuwen moest thans het verband met den Christus opgenomen worden via het
Christendom in den vorm, zooals het tijdens die Joodsche incarnatie op aarde in
verschijning was getreden: Deze zijn jeugdgeschiedenis moét Strader, hier
waar de karmische kring voor het eerst samentreedt, vertellen, en wel vóórdat —
weldra, en als in aansluiting hierop — Theodora in den kring verschijnt. Met
het dagen van Theodora aan Strader's horizon daagt voor hem, in dit leven, een andere verhouding tot
het Christendom, krijgt hij verband met het nieuw stadium Christendom, verband
met den Christus in aethergedaante. Afgebroken moest worden wat — maya slechts — een zich wijden van dit leven aan
het Katholicisme leek :
Ich stand schon vor dere Priesterweihe.
Es trieb ein Zufall dann mich aus dem
Kloster.
Ook dit
"toeval" was, zoo begrijpen wij het na dit alles, maya. Tenzij we het
woord in zijn eigenlijken zin nemen: dat wat iemand toevalt — omdat het bij hem
hoort. Een werkelijk "toe-val" móest
plaats vinden om Strader uit het klooster te redden. Vandaar ook zijn gevoelen
:
Doch dankbar muss ich diesem Zufall
sein.
Dat nu volgt, dat zijn ziel de stille vrede reeds lang geroofd was, wil ons
niet alleen vertellen het feit van het binnendringen van
natuurwetenschappelijke geschriften in het klooster, maar tevens van de
gewaarwording in de ziel, hoe bij het tegenwoordige, bij haar "vrede",
niet stil gestaan mocht worden; hoe deze Romeinen-ziel, die als Joodsche
geleerde in de middeleeuwen geleefd had, via
het, het Christendom verstarrend, Roomsch-Katholicisme in dézen tijd
voorschrijden moest tot de natuurwetenschap, tot de techniek.
Denn meiner Seele war
Der stille Friede längst geraubt
Als jener Zufall sie errettet.
Over de gevolgen van Strader's
middeleeuwsche incarnatie — onder het beeld van den Jood, die in die, de
nauurwetenschap voorbereidende eeuwen, de de Godheid ontzinkende menschheid vooruit,
als een Godverlatene, zonder uitzicht den Christus te vinden, eenzaam de aarde
indrong, om háár "Heil-Kräuter" te ontlokken — hooren we thans:
Ich war bekannt geworden mit so vielem
Was nicht in eines Mönches Welt gehört.
Naturerkenntnis kam
zu mir aus Schriften,
Die mir verboten waren.
So lernte ich die neue Forschung kennen;
Und schwer nur fand ich mich zurecht.
Nu, nu deze
ziel door een periode van met jeugdig vuur den Christus zoeken was heengegaan,
viel het haar zwaarder, zoo schijnt het, in de aarde in te dringen en — zonder
nog zich de aarde als van Christuskrachten doordrenkt bewust te zijn geworden —
haar wetten op het spoor te komen, dan toen ze, in een door het bloed van den
Christus gescheiden incarnatie, in een nog meer naieven
tijd, waar het nog niet om uiterste beslissingen ging, genezende krachten uit
de aarde zocht. Strader ging in de middeleeuwen de menschheid vooruit de aarde
in: de weg van den Romein. De mensch is intusschen aardemensch geworden.
Niet alleen staat hij, met zijn verstand, beschouwend tegenover de aarde, niet
slechts is hij een "kluge Odysseus" — hij heeft zich binnengewaagd,
staat
in voortdurenden strijd met de aarde. Ahriman belaagt hem, intenser nog dan in
den Romeinschen tijd.
Erklügelt wahrlich hab ich nicht,
Was mir als Wahrheit sich gezeigt.
In heissen Kämpfen habe ich
Aus meinem Geist gerissen,
Was Glück und Frieden mir als
Kind gebracht.
Wil de man der
wetenschap zich voor zichzelf rechtvaardigen, dan kan hij geen compromissen
sluiten met het geloof eener oudere menschheid, zooals het kind in zijn jeugd
dat nog herhalen kan.
Dat Philia, als verwant mèt en als uitdrukking vàn Maria's
Empfindungsseelenkraft, met "geest"
iets anders bedoelt dan wat den, in het klooster zijn opleiding gezocht
hebbenden, Strader bij dat woord als beeld rijst; m.a.w.: dat het hier, in den
Maria-kring, om heel iets anders gaat dan om het oude geloof, ligt Strader op
dit moment nog verre:
Ich kann verstehn das Herz,
Das nach den Höhn sich sehnt.
Doch weil als Traum erkannt ich hab',
Was mir die Geisteslehre brachte,
Musst sichern Boden ich dann finden,
Wie Wissenschaft und Forschung nur ihn
schaffen.
Om bodem, grond onder de voeten, is het den Romein immers te doen. Maar
ook die "zekere bodem" zal Strader onder de voeten gaan wankelen: in den
nieuwen kring, waarin hij dit uitgesproken heeft. Den omhoog gezochten geest
niet als droom, maar als realiteit, en den grond onder de voeten als realiteit,
zal Strader pas vinden en erkennen als hij de middenkrachten, de Balde-
krachten, als realiteit gevonden zal
hebben En naar de Balde-figuren in den
kring, Felix en Felicia, zijn we op weg; of met een zinvolle variant: de
Balde-figuren zijn op weg naar den kring.
Op het "sichern Boden" van Strader moet vooreerst de "sichere Boden"
der bewustzijnsziel, Luna, antwoorden. Vriendinnen van Maria zijn Philia,
Astrid en Luna op het physieke plan, verbonden met haar ziele-krachten (Comm.
Br. V). Dat we in elk het oerbeeld van een zielekracht moeten zien, voorkomt
reeds, dat we ze ons in deze incarnatie zouden kunnen voorstellen als
intellectueele, met
de wetenschap van den tijd levende en
strevende menschen.
LUNA :
Ein jeder mag verstehn in seiner Art,
Wo Sinn und Ziel des Lebens liegen.
Mir fehlt ganz sicher jede Fähigkeit,
Am Wissen unsrer Zeit zu prüfen,
Was ich als Geisteslehre hier empfange.
Haar wezen spreekt Luna uit in de
nu volgende regelen:
Ich fühle aber klar in meinem Herzen,
Dass meine Seele ohne sie ersterben
würde,
Wie meine Glieder ohne Blut es müssten,
Dàt is het wezen van wat in de geesteswetenschap de bewustzijnsziel genoemd
wordt. Grijpen we maar de compacte karakteristiek van de bewustzijnsziel in het boek "Theosophie":
"Die Wahrheit ist
wahr, auch wenn sich alle persönlichen Gefühle gegen sie auflehnen. Derjenige
Teil der Seele, in dem diese Wahrheit lebt, soll Bewusstseinsseele
genannt werden."
Den Romeinschen mensch spreekt Luna
nu aan, den "Kämpfer", die aan al het, het leven ontworstelde,
aarde-gewicht geeft:
Sie, lieber Doktor, sprechen viele Worte,
Um gegen uns zu kämpfen.
Und was Sie eben uns gesagt
Von ihren Lebenskämpfen,
Gewicht verleiht es ihren Worten
Bei jenen Menschen auch,
Die unvermögend sind, zu folgen Ihrer
Rede.
Maar de waarheid in de
bewustzijnsziel moet dit aanspreken van het aardedeel in den mensch
onherroepelijk in zich gevolgd voelen door een gedachte omhoog naar de
geestelijke wereld, aan het
verband met welke de bewustzijnsziel haar inhoud — de waarheid — dankt. De
aarde haar deel, den hemel zijn deel ; den samenhang beleven
van aarde en hemel: ziedaar "gerader Menschensinn".
Zoo vervolgt Luna dan:
Ich muss nur stets mich fragen,
(Theodora tritt ein)
Warum gerader Menschensinn
Wie selbstverständlich finden muss
Das Wort vom Geist,
Das stets mit warmem Anteil er ergreifen
wird ;
Und Kälte nur ihn überläuft,
Wenn er die Seelennahrung suchen will
Aus Worten, wie sie jetzt von
Ihnen kommen.
Daar, waar de bewustzijnsziel zich af moet vragen, bézig is zich af te vragen,
waaróm "gerader Menschensinn" het woord van den geest als vanzelfsprekend
beleeft en van kou zich bevangen voelt
bij woorden als die van Strader, treedt Theodora den zich vormenden kring
binnen. Waarmee ons gezegd is: in Theodora hebben we te doen met dien
rechtgeaarden menschenzin, die haar oorsprong dankt aan het in zich beleven en
harmonisch verbinden van aarde èn hemel. De op aarde levende Theodora is in
haar binnenste wezen direct verbonden met de geestelijke wereld, met den
geest. Wat Luna het laatst sprak, past alles volkomen voor Theodora en haar
natuurlijke, innerlijke houding. Als de verpersoonlijking van de "gerade
Menschensinn" grijpt ze met warme deelneming naar het ongebroken woord,
het woord van den geest, en kan ze geen voedsel voor haar ziel vinden in woorden,
waarin de wetenschap haar gewonnen overtuiging tracht uit te drukken; woorden,
waarin het wereldbeeld uiteenviel.
Theodora spreekt het ook zelve uit:
Obwohl auch ich so wohl
Mich fühlen muss in diesem Kreise,
Erscheinen mir doch fremd die
Reden,
Die ich hier hören muss.
Wie hier tot nog toe spraken — en het
zijn voornamelijk Capesius en Strader, op wie hier gedoeld wordt — uitten, zoo
moet het den rechten menschenzin aandoen, respectieve letters, die saamgelezen
zouden moeten worden. Vreemd schijnen haar die Reden. En tòch kan ze, nu
het háár beurt is, haar wezen te openbaren, niet anders zeggen dan dat zij zich
aangenaam, thuis voelt in dezen kring.
Waarmee ons iets bijzonders gezegd is. Namelijk
dat deze figuur met haar, ten slotte op maankrachten berustend, helderziend
vermogen, hóórt in dit Erkenntnis-zoekend, strijdend milieu. Theodora is een kracht,
representeert een menschelijke eigenschap, zónder welke geen enkele
menschelijke ontwikkeling mogelijk zou zijn. Zooals we van alle 12
menschheidseigenschappen, waarvan de den kring vormenden de dragers zijn, iets
moeten bezitten, wil het volgend beeld, waarnaar we streven, niet voos,
bouwvallig moeten heeten. Ontbreekt in ons het element, dat vanuit de aarde
verbinding met den hemel zoekt, dan blijft al ons ontwikkelingsstreven
vergeefs. Als wenk zij hier nog slechts toegevoegd, hoe we na Theodora's
sterven (Hüter der Schwelle, 5. Bild) hooren, hoe ze trouwe be-
zoekster was van het Balde-huisje (Comm. Br. IV, p. 14) en hoe we daar dan
Strader vinden, die haar daar als het ware nog zoekt. In het middelpuntsgebied
in den mensch, dat Rudolf Steiner bij de
plaatsaangave boven het 5. Bild zelfs "Baldes Heim" noemt, was Theodora
thuis. Voor elkeen, die een verband met hoogere werelden zoekt, komt het op de
verhouding tot het Baldes Heim in hem, aan.
Het wezen van Theodora ligt voor het oogenblik Capesius nog verre.
Warum die Fremdheit?
vraagt hij. D.w.z. het hoofd, in den loop der ontwikkeling afgescheiden van het
koepelgewelf des hemels, kan een mentaliteit niet verstaan, die het in de
afgescheidenheid verworvene niet volgen kan. Dat er in Strader, den diep in de
aarde ingedwaalde, iets ligt, dat ten slotte niet geheel vreemd staat tegenover
wat geopenbaard kan worden uit de hoogten, kunnen we aflezen uit het
zwijgen van Strader voorloopig bij wat de verschijning van Theodora betreft.
Tot hij, de feitenmensch, bescheiden naar de mogelijkheid van "een proeve"
zal vragen. En ná die proeve tegenover de zich voortzettende bezwaren van
Capesius, der logica, zeggen zal: Doch liegt ein Tatbestand ja vor.
Theodora nu, wier wezen, tot in de vertaling van haar naam toe,
Godsgeschenk is, zou er niet toe kunnen komen, dit wezen, dat in de vreemdheid
tegenover wat op aarde in het versplinterde woord,
in aanschouwingswijzen, ligt uitgedrukt, te schilderen. De ziel van den kring,
die haar tot zich trok, is de aangewezene om van de aarde uit vóór de aarde te
antwoorden. Theodora:
Maria, schildre du es.
En nu volgt de karakteristiek van Theodora door Maria. Haar wézen zal hierna
Theodora zelf voor ons neerzetten in een verkondiging over die geestelijke
werelden, waarmee zij in haar innerlijkst middenpunt verbonden is. Een
verkondiging over wat zij daar schouwt: den. Christus in aethergedaante.
[1] Rud. Steiner: "Welterkenntnis, Selbsterkenntnis".
terug naar Publicaties