terug naar Overzicht
Faust en Faunen van Anthonie Donker
Toen Adelyde Content op het Erasmianum te Rotterdam was, had zij van de bekende dichter J.H. Leopold les in klassieke talen. Hij moet op haar grote indruk gemaakt hebben, want zijn manier de klassieke teksten filosofisch en met een enorme sensitiviteit voor de diepere mysteriën van de taal te benaderen, sprak haar helemaal aan.
In een artikel in "Het Vaderland" (1931) karakteriseerde ze J.H. Leopold als leraar. Zijn les-uur bestond uit "fijne opmerkingen, zachte scherts, de ziel begrijpende, van inzicht in de ziel getuigende, geestige woorden. Na een uur heb je wat begrepen, ben je een heel klein beetje ook een wijs mensch geworden…"
In 1928 publiceerde Adelyde C. twee essays in het tijdschrift "Die Drei" onder de titel "Der Helena-Mythos und die Anthroposophie", deel I en deel II. Het zijn lange, zorgvuldig uitgewerkte studies, waarin ze diep ingaat op de Griekse taal. Ik stond er verbaasd over, hoe diep zij de Griekse taal beheerst en een begrip ontwikkelt voor woorden, waartegenover de wetenschappers geen andere oplossing vonden, dan die woorden als "fout-geschreven" op te vatten. Door hun correcties werden delen ineens leesbaar en begrijpelijk, maar de spirituele dimensie was eruit. Adelyde wist door haar kennis van het Grieks en haar studies in de antroposofie een toegang te scheppen, tot de werkelijke woorden en hun spirituele achtergronden.
Nu verscheen 1930 een boek "Fausten en Faunen" van Anthonie Donker ((Nicolaas Anthonie Donkersloot, 1902-1965). Hij was hoogleraar voor Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en was dichter, literair criticus en essayist. In dit boek "beschouwingen over boeken en menschen", opende hij zijn verzameling met J.H. Leopold en sloot met "Die Helena-sage und ihr Zusammenhang mit unserer Zeit. (Vom Mysterium der Iynx zum Mysterium der Pharynx)", een studie van de leerling van Leopold Adelyde Content. Kende hij, de oorspronkelijke verbinding, die tussen deze persoonlijkheden had bestaan? Geenszins, want bij het lezen van dit laatste werk werd al gauw duidelijk, dat hier Anthonie Donker zichzelf op de voorgrond stelde en geen enkele poging deed noch haar taalkennis noch haar ontdekkingen te beoordelen of te beschrijven. Donkersloot had haar essays in het Duitse tijdschrift "Die Drei" gevonden. Een tijdschrift, dat je niet eenvoudigweg zo kunt lezen, zonder dat je kennis neemt van de achtergronden der antroposofische geesteswetenschap. Uit zijn betoog blijkt, dat hij met de antroposofie niets kon beginnen en hij zijn kans schoon zag zijn hart te luchten over de curieuze zienswijze der antroposofie.
Hij geeft toe, dat er in de mensheidsontwikkeling raadsels zijn, maar hij kan het niet verkroppen, dat de antroposofie daarover een zinnig woord zou kunnen zeggen. Toevluchtsplaatsen voor raadsels noemt hij een geloof of een wereldbeschouwing. Een raadsel wordt daardoor dragelijk ingekleed en de beschouwing bepaalt de waarheden, die dan apodictisch gedecreteerd gelden. Hij meent, dat in de antroposofische geschiedschrijving een fantastische willekeur heerst, die toch enkel door een menselijk brein geconstrueerd werd.
Donkersloot eindigt zijn betoog met deze zinnen:
"Ieder heeft het recht een stelsel van vermoedens te belijden maar wie het tot volstrekte waarheid verhoovaardigt, pleegt schennis aan het Mysterie, aan het Geheim, dat de laatste en tenslotte eenige houdbare en betrekkelijk zekere uitkomst is van ons hardnekkig en machteloos zoeken naar de waarheid."
"Er is een grenzelooze aanmatiging in dit inlijven der grootsche poëmen der Oudheid bij een zekere moderne geesteswetenschap."
"Discipelen van den vereerden meester Rudolf Steiner zullen mij gebrek aan eerbied en bovenal aan begrip verwijten, doch ik, die deze dingen niet anders dan exoterisch vermag te zien, acht mij gehouden mij tegen de theorieën der anthroposofen, die mij overigens niets aangaan, te verzetten, zoodra zij ontaarden in een symbolisch imperialisme, dat zelfs de poëmen van Homerus niet meer ontziet."
Het probleem van Donkersloot is zijn eigen zienswijze, zijn eigen wetenschappelijke methode. Je mag enkel door zijn "bril" kijken. Neem je een ander standpunt in, waardoor zich de perspectieven veranderen, wijst hij de resultaten af en noemt ze onwetenschappelijk en onbruikbaar.
In het artikel (van 17.06.1931, Het Vaderland, "Het openbaar zomercongres in het Goetheanum") karakteriseert Adelyde Content precies dit probleem. "Wanneer een willekeurig, onvoorbereid mensch op het college van een professor in de chemie binnenvalt, spreekt de professor voor hem noodzakelijkerwijs onverstaanbare taal, al spant hij zich nog zoo in, hij neemt van den professor den indruk mee naar huis van een goochelaar." "Rudolf Steiner heeft de scholing die anthroposophie heet, van de fundamenten af opgebouwd." Lees je haar Essays in "Die Drei" en heb je geen flauw benul van de antroposofie, dan kan je de inhoud hoogstens ontoegankelijk noemen, want iemand, die geen kennis heeft genomen van de geestelijke ontwikkeling van de mensheid in de opeenvolgende cultuurperioden, gaat het net eender als de onvoorbereide toehoorder op het college van de chemie-professor.
Met zijn hele betoog, merkte Donkersloot niet, dat hij meer over zichzelf onthult als over de antroposofie, want in zijn zin staat:"...acht mij gehouden mij tegen de theorieën der anthroposofen, die mij overigens niets aangaan, te verzetten, ..." , d.w.z. hij wil zich tegen iets verzetten, dat hem onbekend is en hem niets aangaat.
Dürnten, 16.09.2026 Hans van der Heide
terug naar Overzicht