terug naar Publicaties
Commentaarbrieven V
COMMENTAARBRIEVEN BIJ DE MYSTERIE-DRAMA'S
VAN
RUDOLF STEINER
DOOR
ADELYDE CONTENT.
"DIE PFORTE DER EINWEIHUNG"
IN AANSLUITING AAN HET EERSTE BEDRIJF - Philia, Astrid, Luna, Capesius
VIJFDE BRIEF, 1947 "Door ziekte vertraging" – (kennelijk was er een ziekte tussengekomen)
(In Comm. Br. IV is in pag. 8, 3e citaat, als 4de versregel uitgevallen: Im Blut gebliebene ...)
We namen Benedictus' openbaring "im Meditationszimmer" – d.wz. geestelijk terrein, de geestelijke wereld op aarde – aan zijn leerling Maria in het 3e bedrijf te baat om de tegenstelling van Maria en Johannes in beleven en in uitwerking te verklaren, waarvan Maria getuigt daar, waar zij in het 1e bedrijf voor de tweede maal begint te spreken:
Beklagen muss ich tief,
Dass solches dir erwächst aus allem,
Was mir das Höchste,
Was Strom des heiligen Lebens mir ist.
Waarheid, eeuwige waarheid spreekt Maria vervolgens voor het moment nog boven zichzelve uit, in zoover zij zich niet bewust is, hoe haar woorden in waarachtigheid Johannes' klacht dekken
wanneer ze voortgaat:
O Freund, in jenem Wechselspiel,
Das Menschen Dasein nennen,
Verbirgt ein ewig geistig Leben sich.
Und jede Seele webt in diesem Leben.
De ommekeer in Johannes' leven, het naar buiten tredende "Wechselspiel" – de gronden ervoor liggen achter het "Dasein": een eeuwig geestelijk leven verbergt zich er achter. In dat verborgen
geestelijk leven is elke ziel betrokken, bezig. Maria's ziel, die door Benedictus' zieneroog herkend was (3e bedrijf) als de ziel, die heel den esoterischen kring, daarmee de menschheid omvatten en -vóórgaan, leiden kon, weeft in het geestelijke zóó, dat zij als belevenis zeggen kan:
Ich fühle mich in Geisteskräften,
Die wirken wie in Meerestiefen,
Und seh' der Menschen Leben,
Wie Wellenkräuseln an des Wassers Oberfläche.
Met alle "Lebenssinn" voelt zich één. Die zin voor het leven schijnt haar bij een elk de openbaring toe van elks eigen wezen. Met haar zich-één-voelen met alle levenszin omvat ze al die wezensopenbaringen, alle wezens. Dikwijls heeft Zij gezien, hoe die levenszin in een mensch zich verbond met zijn zielekern, daardoor
Zum höchsten ihn erhebend,
Was nur das Herz erflehen kann.
Ontdekken moest echter Maria, hoe de eigen levenszin, de wijze, waarop zij een zin, een orgaan voor het leven bezit, een kwade vrucht blijkt te zijn, wanneer haar wezen "sich berührt mit andrer Menschen Wesen". Dit is háár Schicksal :
Es zeigt sich dies mein Schicksal auch in allem,
Was dir ich geben wollte,
Der liebend sich mir nahte.
De aard van Maria's zin voor het leven wordt voor Johannes als natuurlijken mensch inderdaad een "böse Frucht", een vrucht, die verterenden invloed heeft,
Over den man, den geestzoeker, dien zij, de vrouw, zijn ziel, te leiden heeft, kan zij zeggen :
An meiner Seite wolltest du
Die Wege wacker gehen,
Die dich zu edlem Schaffen führen sollten.
Geest-wervend schrijdt de man over de aarde, ter geestverwerkelijking.
Und was ist nun geworden!
Was stets als reinstes Leben sich mir offenbart,
In seines eignen Wesens Wahrheit,
Es war der Tod für deinen Geist,
Het waarachtig reinste leven, dat de goddelijke kracht in Maria als openbaring opvangen kan – het werd inderdaad voor den geest van Johannes de dood. In Christo morimur. Opdat volgen kunne het: Per spiritum sanctum reviviscimus – "dem höhern Leben muss erwachsen, was aus dem niedern Sterben blüht". Wat dan Johannes, in een boven zijn bewustzijn uitgaand waarheidsbeleven, aan Maria wedertom bevestigt :
Es ist so.
Was deine Seele trägt
In lichte Himmelshöhen,
Will stürzen mich,
Erleb' ich es mit dir,
In finstre Todesgründe.
Hetgeen, geïnterpreteerd, zeggen wil: Was deine Seele in christliche Reiche trägt, will, wenn ich mit dir gehen will, m-ich — d.h. mein Ich, mein luziferisches Ich – in finstre Todesgründe stürzen.
Aan dezen tweesprong: mit in lichte Himmelshöhen oder allein in finstre Todesgründe, vangt — zooals steeds voor een afgrond — dan weer een Rückschau aan:
Als du in unsrer Freundschaft Morgenröte …
Aan den afgrond bezint Johannes zich wederom op zichzelven, herschouwend zijn gang naast Maria van den beginne af. Hoe Maria hem leidde tot de openbaring over een geestelijke wereld:
Als du in unsrer Freundschaft Morgenröte
Mich führtest zu der Offenbarung,
Die Licht verbreitet in den Finsternissen,
Die ohne wissend Leben jede Nacht
Betritt die Menschenseele;
In welche wandert
Des Menschen irrend Wesen,
Wenn Todes Nacht zu spotten scheint
Des Lebens wahrem Sinn …
Welke openbaring van licht over de duisternissen van het verborgen rijk in haar gevolg bracht het openstaan voor de idee van de herhaling der aardelevens:
Und als du wiesest mir
Die Wahrheit von der Wiederkehr des Lebens …
Dit verbonden-worden echter van den mensch-op-aarde, den physieken mensch, met de geestelijke wereld en de gedachte aan het afwisselend gaan door levens hier en ginds maakt den mensch los van zijn physiek, brengt hem tot, het beleven van zijn eeuwigen kern. In eerste instantie is zoo de voorwaarde voor de omzetting van den stoffelijken mensch tot geestmensch geschapen:
Da konnte ich mir denken,
Dass ich erwachsen werde
Zum echten Geistesmenschen.
Maar slechts denken kon Johannes zich zijn groei tot echten geestesmensch. Aan wat hij aan zijn uitspraak vastkoppelt, ontleenen we, hoe zijn voorstelling over de wijze, waarop die groei zou geschieden, ontoereikend was tot het vervullen der geschapen voorwaarde:
Und sicher schien es mir,
Dass eines Kiünstlerauges Schärfe,
Und alles Künstlerschaffens Sicherheit
Mir erst erblühen werden
Durch deines Feuers edle Kraft.
Aan de gedachte van den groei tot geestesmenseh sluit Johannes aldus meteen de gedachte aan den groei van zijn werk aan: Elk beeld, waaraan de kunstenaar – en Johannes eerst recht – zijn krachten beproeft, is een phase op den langen weg, waar hij op zoek is naar het volmaakte menschenbeeld, naar de eigen volmaking. De beide uiterste polen echter van den beeldenden kunstenaar, die geactiveerd moeten worden om dat werk van hem in dubbelen zin op steeds hooger niveau tot stand te brengen, het zenuwzintuigensysteem en het ledematenwilssysteem, de scherpte van het kunstenaarsoog en de zekerheid in het scheppen, kunnen slechts ontbloeien uit de krachten van het midden, uit des menschen rhythmisch systeem, uit de versterking en veredeling van zijn innerlijken kern. In casu dus uit de edele kracht van het vuur van Johannes zelven. De fout in Johannes' voorstelling is, dat hij meent voor den bewusten opbloei te kunnen volstaan met het appelleeren aan de "edle Kraft" van Maria' s "Feuer". In passiviteit van de eigen kern:
lch liess auf mich nun wirken dieses Feuer
Bedenken we daarbij, wàt de aard is van het vuur, dat in Maria werkt – dat het immers "göttliches Feuer" is, in Maria als begenadigde door een god ontstoken – dan begrijpen we ook iets van de verbrandende werking op Johannes, zooals hij die nu wanhopig uitspreekt:
Da raubt' es mir
Der Seelenkräfte Ineinanderfliessen ;
Es presste allen Glauben an die Welt
Erbarmungslos mir aus dem Herzen.
Dat op den duur een ander Ik, ook zelfs het Ik van het iemand het naast staand wezen, niet in staat is, iemands taak voor den geest, de taak voor het eigen Ik, over te nemen, blijkt dan uit de slotwoorden van Johannes :
Und nun bin ich so weit gekommen,
Dass Klarheit mir auch darin fehlt,
Ob ich bezweifeln soll, ob glauben
Die Offenbarung aus den Geisteswelten.
Und dazu selbst ermangle ich die Kraft,
Zu lieben, was in dir
Des Geistes Schönheit kündet.
De voorloopige taak van den kunstenaar Johannes, zich om te beginnen te vergasten aan wat "des Geistes Schönheit" in Maria tot hem te spreken had, is aan haar einde gekomen.Hij kan het zelfs niet meer "lieben". De mensch Johannes zoekt iets anders, hij zoekt des Geistes Wahrheit.
Voor Maria, die op dit oogenblik nog niet doorschouwen kan, op welke gronden en samenhangen de schijnbare terugval van Johannes berust, wordt echter die laatsle onmachtsbekentenis van Johannes aanleiding tot een bekentenis over wat zij reeds lang heeft moeten opmerken als van haarzelve uitgaande werking, een verwoestende werking. Die we reeds, uit Benedictus' woorden tot haar in het 3e bedrijf, vermochten te verklaren.
Ich muss seit Jahren es erkennen,
Dass meine Art das Geistesselbst zu leben
Ins Gegenbild sich wandelt,
Durchdringt es manches andern Menschen Art.
Und sehen muss ich auch,
Wie segenspendend sich die Geisteskraft erweist,
Gelangt auf andern Wegen sie in Menschenseelen
(Es treten Philia, Astrid und Luna ein).
Van Philia, Astrid en Luna lezen we in de lijst der dramatis personae, dat ze "vriendinnen van Maria" zijn, wier oerbeelden zich in het verloop als geesten van Maria's zielekrachten openbaren. Geïncarneerd zijn dus in den kring om Johannes drie personen, drie vrouwen, wier wezen uiteindelijk is, dat elk overwegend-eenzijdig draagster is van een bepaalde zielekracht: Philia van de Empfindungsseelenkraft, Astrid van de Verstandes- oder Gemütsseelenkraft en Luna van de Bewusstseinsseelenkraft. We mogen ons niet laten ontgaan, dat in alle volgende drama's Philia, Astrid en Luna niet meer "Geister von Marias Seelenkräften" genoemd worden, maar "die geistigen Wesenheiten, welche die Verbindung der menschlichen Seelenkräfte mit dem Kosmos vermitteln". Als Maria zich met Johannes het rijk van Retardus ontworsteld heeft (voorlaatste pagina van het slotbedrijf van I), met Johannes de geestelijke wereld is ingegroeid, komen haar zielekrachten vrij voor heel de menschheid, voor het menschheidswerk; worden inderdaad menschheidskrachten. Maria's "vriendinnen", die we eigenlijk slechts bij deze eerste ontmoeting in het 1e bedrijf van Die Pforte der Einweihung op het physieke plan, daarna meer in hun oerbeeld schouwen, als geestelijke bemiddelaarsters, representeeren in den kring inderdaad die krachten, die de verbinding van de drie zielekrachten van den mensch, zijn Empfindungsseele, Verstandes- oder Gemütsseele en zijn Bewusstseinsseele, met den kosmos tot stand brengen. Dirigente van deze verbindingen is, binnen den kring, Maria. In haar "vriendinnen", deze in de geestelijke wereld haar verbonden zielen, spiegelen zich haar eigen zielekrachten: in den menseh, in wie de Empfindungsseele overheerschend is, Philia, haar Empfindungsseelenkraft; in Astrid, in wie de Verstandes- oder Gemütsseele overheerscht, haar Verstandes- oder Gemütsseelenkraft; den Bewusstseinsseelenmensch Luna Maria's Bewusstseinsseele.
In wisselwerking met die drie zielekrachtendraagsters, die haar Maria's zielekrachten in wisselwerking met den kosmos brengen, schakelt zij Johannes, en met hem heel den kring, in den kosmos in.
Iets van het wezen en de rol in den Johanneskring van deze zoo moeilijk te omschrijven figuren Philia, Astrid, Luna is hiermede aangeduid: inschakelaars in den kosmos. Inschakelaars van het individuum. Elke mensch heeft zijn Philia, Astrid, Luna, zegt Rudolf Steiner in de "Geheimnisse der Schwelle". Maar in drama I hebben we ze nog pas te aanschouwen als geesten van de zielekrachten van Maria, met welke in verbinding Maria werken kan. Door hen heen kan Maria werken, ze nemen haar zielekrachten als het ware op en leiden ze voort. Men zie bijv. den aanvang van het 7e Bild, waar Maria, in het geestgebied gewaarwordend, hoe Johannes omhoogstreeft, nadert, door te stooten tracht naar de geestelijke wereld, de drie "zusters", de tegenbeelden van haar zielekrachten, te hulp roept :
Ihr, meine Schwestern, die ihr
So oft mir Helferinnen wart,
Seid mir es auch in dieser Stunde.
… … … … … … … … … … … … …
Ich kann die Zeichen schauen,
Die uns zur Arbeit lenken.
Es soll sich euer Werk
Mit meinem Werke einen.
Johannes, der Strebende,
Er soll durch unser Schaffen
Zum wahren Sein erhoben werden.
En nadat de drie, in rhythme en klank, hun wezen hebben uitgesprokcn en daarmee de aard van elks hulpe, besluit dan Maria:
Mit euch, ihr Schwestern,
Vereint zu edlem Werk,
Wird mir gelingen,
Was ich ersehne.
(n.l. Johannes' doorbraak naar de geestelijke wereld).
Es dringt der Ruf des schwer Geprüften
In unsre Lichteswelt.
Men lette hier op de herhaling van het woord "werk". Werk in mysterie-taal duidt steeds werk aan het menschenbeeld aan. Overal, waar we het tegenkomen in de vier mysterie-drama's, staat het dan ook in dezen zin.
Zien we nu terug op de tevoren geciteerde woorden van Maria:
Ich muss seit Jahren es erkennen, (enz.)
dan wordt ons duidelijk, wat het zeggen wil, dat aan het slot van dat citaat de drie "vriendinnen" van Maria binnentreden. Dit is het, wat Maria eigenlijk, nog steeds boven haar bewustzijn uit, heeft uitgesproken: wanneer háár wijze van het "Geistesselbst" te leven, wanneer de met háár goddelijk leven gegrepen Geisteskraft zich linea recta overgiet in een ander, den ander doordringt, heeft een vernielende werking plaats in dien ander. Het verbrandingsproces van het sterfelijke. Dit is het dan ook, wat Maria gewaarwordt bij hen, die in zoo innige karmische verbondenheid naast haar leven als Johannes, het kind. Vindt echter de goddelijke levensstroom, die met het door goddelijke hierarchieën in haar gelegd geesteszaad verwant is, zijn weg naar menschelijke zielen langs ándere wegen – "es treten Philia, Astrid und Luna ein" – dan betoont hij zich "segenspendend". De geesteskracht, naar menschenzielen geleid door de bemiddelende werking van gewaarwordings- ,verstandsziel, enz., kan gedragen, verdragen, werkzaam opgenomen worden.
Weliswaar kan ze, langs gewaarwordingsziel enz., niet anders de menschelijke zielen naderen dan door het woord, maar tot een kracht wordt dat uit geestkracht geboren woord, dat den mensch in zijn drieledigheid aangrijpt. In het denken, doordat het …
lenkt in Weltenhöhen
Des Menschen Denkungsart.
In het voelen doordat het bezwaarden zin verlost, vluchtigen zin gewicht geeft :
Es schafft da frohe Stimmung,
Wo trüber Sinn erst lebte.
Im Stande ist es, umzuwandeln
Die Flüchtigkeit des Geistes
In würdig ernstes Fühlen.
In het willen, het den mensch, dat zich als karakter uit, doordat, het configuratie verleent:
Dem Menschenwesen gibt es sichre Prägung.
De waarschijnlijk oorspronkelijke uiting van Rudolf Steiner, zooals die in den eersten druk (Berlijn 1910) verscheen, luidde:
Dem Menschenscharakter verleiht es sichere Prägung.
Maria zelve is gegrepen door die geesteskracht; haar Ik immers, bezwangerd door goddelijken kiem, zooals Benedictus haar in het 3e bedrijf zal zeggen, trok die geesteskracht aan en werd ervan doordrongen:
Und ich, ich bin ergriffen ganz
Von dieser Geisteskraft
Dat, zooals we reeds trachtten aan te toonen, de verlamming, die Maria om zich heen gewaar moet worden, consequent gevolg daarvan is, ligt eigenlijk uitgedrukt in het feit, dat nu niet vervolgd wordt met een tegenstellend, maar met een copulatief verbindingswoord: niet doch maar en. Niet dus, zooals we dat, alleen maar logisch redeneerend, zonder de geestelijke achtergronden te kennen en in acht te nemen, gewend zijn en zouden verwachten:
"ich bin ergriffen von dieser Geisteskraft, muss aber gewahren";
maar :
"ich bin ergriffen von dieser Geisteskraft und muss gewahren, .... :
Und muss gewahren,
Dass Schmerzen und Verwüstung
Sie mit sich trägt,
Ergiesst aus meinem Herzen sie
In andre Herzen sich.
Dat zich gieten uit háár hart direct in andere harten – men zou zeggen ,Empfindungsseelenartig" – brengt de smarten, die aan alle sterven verbonden zijn.
Van de drie intusschen binnengetreden vriendinnen is het dan ook de uitgesproken draagster der Empfindungsseelenkraft, Philia, die zich op dat woord van de werking van hart op hart doet hooren.
Maria heeft het laatst, als dat, wat ze nog niet verklaren kan, het lijden van Johannes uitgesproken; Philia reageert, voortgezet door Maria, met te wijzen op den zoo juist karmisch Benedictus gevormden kring van 12, die tezamen met Johannes "den mensch" vormen, die een schrede vooruit moet doen. Het lijden van Johannes, waar Maria over sprak, het verbrandingsproces van wat vernietigd moest worden, moest worden doorgemaakt, voordat de strijdende kring kon samen treden, de strijdende kring kon samentreden, de strijdende volmensch – de twaalf met den dertiende in het midden – op aarde tot aanzijn kon komen. Het is dan, zooals Maria zegt:
……….als ob
Geheimnisvoll dazwischenstünde
Des Menschen volles Urbild.
Overigens hebben we aan bedoelde woorden van Philia en Maria reeds in Comm. Br. III pag. 11 onze aandacht gewijd. En uit het daar overwogene spruit als vanzelf voort, dat, waar Maria afsluit met de karakteristiek van den gevormden Johanneskring als hel "in vielen Seelen gegliederte Urbild" van den mensch, nu de beide polen, waartusschen de kring besloten ligt, de beide uiterste klanken in het geheele "Chor aus Meinungen und Gesinnungen", Capesius en Strader, zich gaan uiten. Wat zeggen wil: hun wezen gaan karakteriseeren, de noot aangeven, die zij in het koor vormen.
Capesius, de geschiedenisphilosoof:
So hat man denn
In vielen Jahren ernsten Strebens
Durchwandert mancher Zeiten wechselnd Wesen,
Zu forschen stets nach allem,
Was lebte in den Menschengeistern,
Die künden wollten Daseinsgründe
und weisen Lebensziele ihrem Wirken.
Man glaubte in der eignen Seele
Des Denkens hohe Macht belebt zu haben,
Und manches Schicksals Rätsel.
Man konnte meinen, dass man fühle,
enz.
Van haar zich-beleven in het Ik sprak Maria:
Und ich, ich bin ergriffen ganz …
Capesius, van zijn leven tot nog toe, zijn streven en ervaren sprekend, betrekt dat alles onwillekeurig nog niet op het eigen Ikwezen, hij spreekt voortdurend in den onpersoonlijken "man"- toon:
"So hat man denn …", enz.
Naar den Ik-toon gaat hij pas over ná het zoo juist aangehaalde citaat, als hij gaat mededeelen, wat hij, de denker, den kring van Benedictus binnengezworven, hier en thans ervaart, bij de "hier gepflegte Denkungsart". Zelfs was in den eersten druk, die toch stellig het oorspronkelijk neergeschrevene het meest nabijkomt, in het direct volgende vers het, alleen het metrum verbeterend, "mir", deze dativus van het Ik, nog niet aanwezig (Voor onze Commentaarbrieven wordt de uitgaaf der drama's van 1917, het derde duizendtal, gebruikt.) Uit dien eersten druk springt ook beter naar voren, op wie het ihrem in de 7e versregel hierboven slaat. Minder metrisch, maar duidelijker, heet het daar:
………. Zu forschen nach allem,
Was lebte in Menschengeistern,
Die künden wollten des Seins Geheimnis,
Und weisen den Menschen die Ziele.
In Commentaarbrief III hebben we voor Capesius en Strader reeds de hoofdlijnen getrokken. De aanvang van het (I11e en) laatste bedrijf van de "Pforte der Einweihung" zal nog veel toelichten. Dit is immers het Bild dat in den Zonnetempel speelt, waar elk, die reeds in aanmerking kan komen als deelhebber aan dien tempel, voorloopig de plaats wordt aangewezen, die hem toekomt. Een soort praeludium opent het gebeuren in den tempel. Het is het verwijt van Retardus (zie Commentaarbrief II pag. 14 vlgg.) aan Capesius en Strader, dat ze het ambt, dat hij hun gaf, zóó slecht vervuld hebben, dat hij de zielen, die ze uit de macht van Benedictus hadden moeten "redden" en voor hèm, Retardus, behouden: Johannes en Maria, nu in den tempel voor zich verloren moet zien gaan. Het verwijt van Retardus hetwelk formuleert, wàt Capesius en Strader hadden mòeten doen en wat ze gedaan hébben, bevestigt slechts de karakteristiek van hun wezen, zooals we die in Commentaarbrief III trachtten te geven. Alle woorden, die Retardus tot Capesius richt, karakteriseeren den Griek, de woorden tot Strader den Romein.
Van de schoone eigenschappen, die het Griekendom te ontwikkelen had – die dan echter retardeerende kracht worden, als ze na afloop van het Grieksche tijdperk niet slechts als verworvenheden worden gebruikt om nieuwe eigenschappen te ontwikkelen – spreekt Retardus in het praeludium in den tempel tot Capesius, den levenden drager van de krachten uit het Griekendom:
Capesius, ich gab dir hohe Geistesart,
So dass Ideen vom Menschenstreben
Anmutvoll deiner Rede Inhalt waren,
Und überzeugend hätten wirken sollen.
Die pijl omhoog, als het Capesius betreft, waarvan we in Commentaarbrief III spraken, dat van de aarde zich afwendend, consequent uit zichzelve zich verder afwikkelend denken — Retardus geeft het aan in:
ich gab dir hohe Geistesart.
Evenzeer als in het eerste bedrijf in de rede van Capesius, die we bezig zijn te behandelen, Capesius zelf naar waarheid formuleert:
Man glaubte in der eignen Seele
Des Denkens hohe Macht belebt zu haben …
De macht van het zich uit de aarde bevrijdend en omhoogstrevend denken der Grieken – man, d.w.z. iemand als Capesius, de nog niet tot persoonlijkheid van dit tijdperk gerijpte, gevoelde die in zijn eigen ziel, in deze incarnatie, weer te hebben doen opstaan, belebt zu haben. En de geschiedenisprofessor meende ook, die macht van het denken gebruikend, het raadsel van veel, wat geschied is, van "manches Schicksal", te hebben kunnen oplossen. En diezelfde, in het heden nog onpersoonlijke, "men" vervolgt:
Man konnte meinen, dass man fühle
Im Innern alles Urteils feste Stützen,
Wenn neu Erlebtes fragend
Sich vor die Seele drängt.
Moed-vol stelt de Romein zich op de aarde en kijkt de phaenomenen aan. Den Griek "drängt sich Erlebtes fragend vor die Seele". Hij heeft het gevoel, dat hij zich met "alles Urteils feste Stützen" daar tegenover kan stellen. Ideeën ontwikkelt zoo de Griek, "Ideen vom Menschenstreben" (aanvang 11e bedrijf). D.w.z. schouwingen over der menschheid pogingen, zich los te strijden uit de aarde, rijzen dan en vormen zich anmutvoll tot het woord, tot de rede van den historievorscher. De Anmut van den Griek tegenover den moed van den Romein.
Die Ideen "hätten überzeugend wirken sollen". Het woord, het intellect, werd tot overtuigingsinstrument, het Ik wenschte door hol verwoorde denken te werken op het andere Ik. (Peithô), de Overtuiging, Overreding, is een godheid bij de Grieken. — De aan Capesius (door Retardus) geschonken "hohe Geistesart" had overtuigend en overredend op Johannes en Maria moeten werken:
Du hättest ihre Neigung für das Geistesschauen
Verdrängen sollen durch die Kraft,
Die deine Worte hätten wirken sollen.
Via Capesius had Retardus willen werken tot onderdrukking van het ontwaken voor het geestelijk licht, het imaginatie-vermogen als eigenschap van ons tijdperk, door handhaving van het gedachte-woord-op-het-Grieksche-peil.
Tot zoover Bild 11. Wanneer we aan Straders woorden toe zijn, in het 1e bedrijf, zullen we nog gelegenheid krijgen, de formuleering van Retardus, waarmee hij zich in het 11e Bild tot den Romein Strader wendt, naar voren te lichten. Voor het oogenblik diene het uit Bild aangehaalde ons slechts tot een scherper gehoor voor de wijze, waarop Capesius verder zijn wezen uitspreekt. Hoe die "Stütze", die dus eigenlijk slechts berust op wat uit het verleden komt, wankelen gaat bij alles, wat Capesius heeft kunnen hooren over de "hier gepflegte Denkungsart", de denkwijze van een nieuw tijdperk. En dan:
Und wankend wird sie vollends,
Wenn ich bedenke, wie gewaltig
Die Wirkung sich erweist im Leben.
Zóó moet het gaan, zou men kunnen zeggen. Heengegaan moet worden door de gewaarwording, dat het oude denken alleen de voldoende steun niét geeft; de oude denker moet bedenken, wat het verschil is met een nieuwe denkwijze (iets anders dan "denkwijzen" bestaan er niet voor een Capesius), n.l. dat de laatste niet slechts is een denken óver het leven, maar dat er een werking van zichtbaar wordt op het leven.
Hoe heeft de historicus Capesius tot nog toe menigen dag doorgebracht, d.w.z. in het waakleven, het leven gestaan? De tijdsraadselen heeft hij beluisterd (de ruimteraadsels bespiedt de Romein). Wat ze hem openbaren konden, heeft hij "in Worte geprägt, die Herzen ergreifen und erschüttern können (1e druk). Mel het woord uit het denken, resultaat uit het 4e tijdperk, wordt getracht op het 5e tijdperk, onzen tijd, invloed te hebben. Zóó staat de fijne geest Capesius tegenover het nieuw geslacht, zijn studenten. En verheugd was hij reeds, als hij ook maar het kleinste hoekje in het zielewezen van zijn hoorders vol kon verwarmen. Men ziet, hij die in den mysterie-kring om Johannes als drager van de resultante van het denken-door-de-eeuwen-heen Staat, is niet de eerste de beste, is niet de abstracte, hooghartige geleerde. Het is hem om den levenden mensch, om de harten van zijn hoorders te doen.
Und manches schien mir auch erreicht.
Nicht klagen kann ich über Misserfolg.
Doch alles Wirken solcher Art
Es konnte mich nur führen
Zur Anerkennung jener Meinung,
Die so geliebt wird und betont
Im Reich der Tatenmenschen:
Das in des Lebens Wirklichkeit
Gedanken nichts als blasse Schatten sind.
Tusschen denken en willen, gedachten en levenswerkelijkheid wordt de brug op deze wijze niet geslagen, moet Capesius ervaren. Men kan ook zeggen: hij wordt gewaar, dat hij zijn tegenpool, den "Tatenmensch" Strader, niet bereiken kan, iets wat toch gebeuren moet in onzen tijdcyclus. Gedachten kunnen niet "blasse Schatten" blijven.
Sie könnten wohl befruchten
Die Schaffensmächte unsres Lebens;
Sie zu gestalten aber,
Ist ihnen nicht gegeben.
Und längst hab ich mich abgefunden
Mit dem bescheidnen Wort:
Wo nur Gedanken-Blässe wirkt,
Erlahmt das Leben und auch alles
Was sich dem Leben zugestellt.
In volle eerlijkheid spreekt zich de representant van het denken, onder het gehoor van Benedictus vandaan getreden in den voorhal, hij heeft zich ",abgefunden mit einem bescheidnen Wort"; men kan ook zeggen: "er weiss sich zu bescheiden", houdt niet vast aan de illusie, dat denken-en-verwoorden-alleen het leven beslaat, levend leven is:
Und stärker als die reifsten Worte
Mit ihrer inhaltvollen Kunst
Erweist im Leben sich
Begabung als Naturgeschenk,
Erweist das Schicksal sich.
Het Grieksche woord is rijp, is kunstvol gerijpt D.w.z.: verder kan het niet gaan in die richting, er wordt thans iets verwacht, als noodzakelijk. Al, wat zich "de oude Capesius" echter denken kon als aanvullende kracht daar, waar het woord op zijn toppunt in kracht bleek te kort te schieten, was een inslag vanuit de natuur: "Begabung als Naturgesehenk"; of van dat, wat voor hem lot-van-buitenaf is: "Schicksal". De kracht der beste woorden kan niet op tegen wat als traditie drukt en als vooroordeelen heerscht.
Maar tot slot moet Capesius erkennen: wat zich hem toont, in den kring, met welken hij thans in aanraking is gekomen, geeft veel te denken aan menschen van zijn " Art", aan Capesius-menschen.
Hij kan niet anders dan toegeven: hier is een werking. En die is niet ontstaan door geëmotioneerde secte-geest :
Man will nur durch Vernunft zur Seele sprechen.
Waar "Vernunft" werkt, is "de Griek" steeds thuis. Maar verwonderd moet hij zeggen:
Und doch: man schafft
Durch Worte echte Lebenskräfte....
Wal zijn echte levenskrachten voor een Capesius? Levende denkkrachten; opstanding van de hoofdkrachten.
Und spricht zum tiefsten Herzensgrund.
Ook de middenmensch, het hart, ziet Capesius hier aangesproken.
Und selbst des Wollens Reich
Ergreift das sonderbare Etwas,
Das jenen, die gleich mir
In alten Bahnen wandeln
Als blasses Denken nur erscheinen will.
Denken, het oude "blasse" denken, het werken met het woord-als-vanouds, met het vernuftswoord – zoo slechts kan Capesius het spreken van een Benedictus, van een Maria, benoemen. Het probleem blijft: de werking, die ervan uitgaat.
Ich bin ganz unvermögend,
Zu leugnen solche Wirkung,
Ich kann nur nicht,
Mich selber ihr ergeben.
Dáár precies staat Capesius, als hij in den aanvang van het drama in den kring getreden is.
Es spricht dies alles zu mir so ganz eigenartig,
Nicht so als ob an mir es wäre,
Zurückzustossen das Erlebte;
Es scheint mir fast,
Als könnte dieses Etwas meine Art
In sich nicht dulden.
Houden we steeds in ons bewustzijn, dat Johannes zwijgend terzijde zit bij al, wat in deze voorhal gesproken wordt.
In Johannes' ziel speelt zich af, wat de hem karmisch verbonden zielen op dat moment uitspreken als samenvatting en resultaat van hun leven totnogtoe. In den toestand, waarin Johannes verkeert, aan den drempel, lééft hij hun levens zélve. Wanneer hij, op zijn ontwikkelingsweg van dit punt af, in het 4e bedrijf zich begint te beleven in het rijk der elementen en daar gewaar moet worden, hoe dat eerste rijk buiten het aardsche reageert op de woorden, d.i. op het wezen, van Capesius, n.l. met donder en bliksem, ontvangt Johannes een buitenaardsche toelichting over wat hij op aarde, aan den drempel, door Capesius heeft hooren uitspreken en heeft medebeleefd:
Es scheint mir fast,
Als könnte dieses Etwas meine Art
In sich nicht dulden.
terug naar Publikaties