terug naar "Artikelen"

Dornach, 08.01.1930, Het Vaderland


HERINNERINGEN AAN DEN BRAND VAN HET EERSTE GOETHEANUM VOOR ZEVEN JAREN


(Eigen brief.)

     Oudejaarsnacht 1922 ging het door Rudolf Steiner gebouwde Goetheanum in vlammen op. Het Kerstcongres, dat zoo juist in het herbouwd Goetheanum dagelijks honderden menschen tezamen heeft gebracht, ««vond wel geheel in het teeken der zeven- jarige herdenking van den onvergetelijken brand.

     Met mystiek heeft het gevoel voor perioden van zeven jaar, dat de anthroposoof van dr. Steiner heeft gekregen, niets te maken. Steiner heeft het eeuwig, wetmatig alom heerschen van cycli van zeven aangetoond. Het geldt hier slechts een aflezen van de verschijnselen. Zooals men voor het constateeren der zevenledigheid van den regenboog, voor zoover het de kleur betreft, geen mystieken blik noodig heeft voor de zevenledigheid van den toonladder geen mystiek gehoor, maar een onvertroebeld vermogen tot aflezen. Wat den tijd betreft, heeft Steiner vooral voor het van kind tot mensch rijpend wezen het telkens na ongeveer 7 jaren afsluiten van een bepaalde periode en het aanvangen van een nieuwe, aangetoond.

     Geen wonder dan ook, dat onwillekeurig dezen Kersttijd de gedachten der anthroposofen zich weer richtten naar den Kersttijd van 7 jaren geleden. Vooral de gedachten van diegenen, die toentertijd reeds tot de leden behoorden. En liet allermeest wel die van hen, die den brand hebben medegemaakt.

     De samenstelling van het Kerstprogram toonde ook een eigenaardig verband met alle verrichtingen, die Kersttijd 1922 te zien en te hooren geweest waren. Wèl groot moest echter, gelijk vanzelf sprak, het onderscheid zijn. ln de allervoornaamste plaats doordat in 1922 Steiner zelf nog midden in alle werk stond. Behalve de redevoeringen voor de leden welke hij onafgebroken steeds Vrijdag-, Zaterdag- en Zondagavond in Dornach hield en die hij ook tijdens bedoeld Kerstcongres niet onderbrak, was er een ook voor niet-Ieden te houden reeks spreekbeurten door hem aangekondigd: "Der Entstehungsmoment der Naturwissenschaft in der Weltgeschichte und ihre seitherige Eniwicklung". Elken morgen, den heelen Kersttijd door, zette hij dezen cyclus' voort voor een talrijk saamgestroomd publiek. Vooral uit de studentenwereld was er veel belangstelling. Dan gingen er buitendien de, onder zijn leiding door een groep in Dornach wonende anthroposofen ingestu- deerde, oude Kerstspelen, in den oorspronkelijken vorm, zooals ze in vroeger tijden, wel tot het laatste kwart van de vorige eeuw toe, door de landelijke bevolking in de streken om Pressburg te zien waren gegeven in den Kersttijd. En verder ging op het tooneel van het Goetheanum de door hem geïnaugureerde eurhythmie. In haar beginstadium nog weliswaar, zooals hij zelf steeds verklaarde, maar onder zijn voortdurend toezicht en zijn aanwijzingen snel zich ontwikkelend. Onvermoeid was hij ook op 't appèl op de uren. dat de studenten en verdere nog vreemd tegenover het hier ge- hoorde staanden hun vragen konden stellen. Talrijk waren reeds zijn medewerkers, die zelven liet konden wagen het podium voor een rede te betreden om aan te toonen, welk licht de kennis van hun leermeester Steiner hun over het hun eigen gebied had gebracht. Waarbij ik me zeer goed herinner, hoe daarbij dikwijls schuchter en vragend hun blik ging naar den leermeester, die nooit onder het gehoor ontbrak, wiens eigen blik echter nimmer door den spreker tijdens zijn rede te vangen was, en onbewogen in horizontale richting vervloeide. Slechts als aan het slot bij het vragen stellen uit de zaal de spreker, nadat hij getracht had zijn antwoord te formuleeren, direct het woord tot dr. Steiner richtte en vroeg, of hij iets toe te voegen had — ook de geleerdste hooggeleerde professor schaamde zich niet voor dit verzoek — betrad hij rustig het podium en hief heel de besproken kwestie op een niveau, dat het van alle kanten toestromen van een nieuw licht mogelijk maakte. Alleen hij, die deze tijden heeft meegemaakt, kan volkomen eerlijk getuigen, dat, wanneer ten slotte Steiner zweeg, de zaak ook "erledigt" was.

In den eersten Bau.

     In de, in plastiek en kleuren als het ware levend wevende omgeving van de koepelzaal en den tooneelkoepel van het Goetheanum hadden al die gebeurtenissen plaats. Nóg altijd voelen zij, die dat eerste Goetheanum gekend hebben, het als een onbeschrijfelijke smart, dat al die pracht van den aardbodem is weggevaagd. Het herinneringsbeeld kan van hen niet sterven. In hun droomcn, zelfs in den korten doezel, wanneer ze overdag van vermoeidheid een oogenblik de oogen sluiten, doemen soms plotseling die beide in elkander grijpende koepels met hun majestueuze zuilen, met de erlangs stroomende gebeeldhouwde motieven, met de machtige gewelven, waar in lichte, helle kleuren menschheids- en aardeontwikkelingen straalden voor hen op. Ze zien de koepelzaal weer wemelen van dat eigenaardige mysterieuze licht, geboren uit den samenklank van het door de geweldige violette, matroode, blauwe en groene vensters stroomende licht uit het heelal daar buiten, datzelfde kosmische licht, dat de in de vensters geëtste, uit diepe wijsheid gesproten voorstellingen tot leven riep. En voor hen, die dien laatsten dag van het jaar, tevens den laatsten dag, dat het met offers opgericht bouwwerk op aarde stond, er in aanwezig waren, rijst ook wel in den droom het beeld van Rudolf Steiner, staande voor de statige, gesloten voorhangen voor den tooneelkoepel. Het is in den namiddag, de eurhythmieopvoering zal zoo dadelijk beginnen. Aangevangen zal worden met den Prolog im Himmel, uit Faust. Onvermoeid leidt de auteur dezer kunst ze bij de toeschouwers in, als steeds echter er den nadruk op leggend, dat het niet kunstzinnig is, kunst willen verklaren: kunst is iets wat betracht wil zijn, niet besproken. Van opzij komt iemand te voorschijn, gaat op Steiner toe, reikt hem een papier. lets totaal ongewoons — iets, wat vanzelf nooit 'm iemand opkwam: hem te storen in zijn rede. Steiner werpt een blik op het papier, gaat dan wat terzijde, vervolgt zijn inleiding. Als hij geëindigd is, wijkt terstond de voorhang uiteen: een kleurig tooneel vol engelen wordt zichtbaar. Op den voorgrond echter op de plaats, waar Steiner het eerst gestaan had, gaapt een helrood, vierhoekig gat. Waaruit weldra Mephisto zijn duivelschen kop opsteekt.

     Wat was "achter de coulissen" geschied? Steiner had van te voren aangegeven, dat op het oogenblik, dat hij zijn inleidende toespraak besloot, de voorhaag moest wijken voor een kant-en-klaar tooneel. Ook de spelonk, waaruit Mephisto moest rijzen, moest dan gereed zijn. Hiertoe diende de opening voor op het tooneel, waardoor het groote spreekgestoelte na gebruik, steeds onder den vloer verdween. Een ongeluk werd voorkomen, doordat de opmerkzame, die het inlegstuk moest neerlaten, bijtijds gewaar werd, dat Steiner op dat middenstuk, zijn gewone plaats, zijn rede uitsprak. Na beraad wist men niet anders te doen, dan hem een oogenblik te storen: het moment, waarop Steiner van zijn plaats week, opdat die voor den duivel in gereedheid gebracht kon worden, moet, naar later gebleken is, ongeveer het moment geweest zijn, dat de lont in het gebouw is gelegd.

     Als ik uit mijn eigen herinneringen uit dien tijd iets mag vertellen: dat oogenblik, dat die jonge man van terzij op Steiner toetrad, het uitgestoken papier in de hand, schoot het met een schrik in me op: er is brand in "den Bau" en hij geeft om een paniek te voorkomen dit papier aan Steiner. Toen deze echter, na den blik op het papier, rustig verder sprak, ging het door me heen: men heeft hem gewaarschuwd — er is verraad in het gebouw. Zoon gedachte ontstond in dien tijd als 't ware on- willekeurig door de omstandigheden. Alle gelooven, alle partijen, alle standen, alle zich niet genoeg geëerd dunkende persoonlijkheden ruiden tegen Steiner op: een tegenstand zóó alzijdig, als die alleen maar te beurt kan vallen aan iemand, dien men zóó ver boven alle geloof partij- en verdere verschillen voelt staan, dat geen enkele van die secten de mogelijkheid voelt, hem ooit binnen haar schansen te zullen begroeten. De communist schold hem voor kapitalist, de kapitalist doodverfde hem als communist, de Jood wist hem roomsen, de roomsche beschimpte hem Jood. Omdat geen enkele dier in afgeschoten menschen- en denkbeeldencomplexen gevangenen het wezen van dien mensch kon vatten, die zelf het wezen doorzag van al die groepen in het menschheidsgeheel. Zijn eigen wezen ontglipte het begrip der in hun tijdelijkheid bevangen, daardoor in hun blik begrensde meeroepers. Hijzelf echter nam dag aan dag het spreekgestoelte in, waar hij ook maar geroepen werd, om het ontstaan, de oorzaak, het wezen van al wat er aan ras-, partij-, godsdienst- en verdere differenties onder de menschheid als verschijnsel te vinden was, te verklaren. En om met zijn eindelooze wijsheids- en liefdekrachten al die verdeelden boven hun tijdelijke verschillen uit te heffen en ze te verbinden, door inzicht, in dat, waarin ze met het eeuwig deel van hun wezen verbonden zijn: in den geest. Maar juist door dit pogen wekte hij weer den haat van anderen, van hen, die beter wisten dan alle genoemde begrensden. Die hun kennis echter niet wenschten te gebruiken in dienst van de menschheid, zooals Steiner dit wenschte.

Haat, deamonische haat....

     Een weten omtrent oorsprong en leiding van het mens diengeslacht op aarde is ten slotte in meerdere of mindere mate altijd onder de menschheid bewaard gebleven, ook toen de mensch het onbewuste Schauen als gave verloor. In bepaalde zoogenaamde "occulte genootschappen" is bij de hoogste instanties een zekere kennis overgeleverd. Steeds heeft Steiner verklaard, dat het terecht en noodig geweest is, dat het lot der menschheid eeuwen lang bij die instanties verborgen is gebleven. Dat hij tevens echter verklaarde, dat thans de tijden gekomen waren, dat het weten van wat achter de wereld der zinnen ligt, weer vrij gelaten moest worden, omdat de mensch in zijn afgeslotenheid thans zichzelve en de aarde verkend had, was weer een oorzaak tot haat daar waar men met het openbaar worden van waarheden eigen macht verloren voelde gaan. Wij schetsen hier maar zeer kort. Ons doel is slechts, eenigermate een indruk te geven van het vanzelfsprekend bewustzijn, waarin men in de kringen om Steiner heen leefde, dat bij het onversaagd, onherroepelijk verder uitspreken van datgene, waarvan hij overtuigd was, dat liet voor de menschheid "an der Zeit" was, de gevaren, welke haat en nijd uit onverstand met zich slepen, steeds toenamen. In dit verband is het allermerkwaardigst, zich een overzicht te verschaffen van hoe en wat Steiner dag na dag tot den laat- sten toe, gesproken en geschreven heeft. Het levensbeeld komt daarbij te voorschijn van een leeraar of leider of welken naam men geven wil, in elk geval van een man, die van den grond af, midden uit de materialistische!! —tijd, waarin de mensch 't diepst verzonken zat na zelf heel de materialistische kennis van onzen tijd vermeesterd te hebben — stap voor stap, behoedzaam eerst, dan met vrijer, sneller tred, de menschheid uit haar aardsche begrensdheid weer opgevoerd heeft naar een hooger weten. Niet een kennis van aardsche wetten hier, een theoretiseeren over een hoogere wereld hierboven: de aarde en haar wetten werden met die hoogere wereld verbonden. Eén steeds verder gevoerde cursus is zijn leven en leeren geweest, sneller of langzamer al naarmate de steeds toenemende massa toehoorders hem volgen kon. Opvallend is, dat geen enkele dreiging of opruiing, uit welke secte van menschen ook, de lijn van zijn werk ooit verstoord heeft.

     In den tijd vóór dien Sylvesterbrandnacht 1922 was de Hetze, welke het zonder omkijken onversaagd verder verkondigen door Steiner, aanwakkerde, misschien wel het sterkst. Al» een beweging met een machtig bouwwerk als het September 1920 geopende Goetheanum aan den weg gaat staan, is het met de struisvogeltactiek aan de andere zijde gedaan. De talrijke roomsche landbevolking in de omgeving kon Januari 1921 reeds haar leiders hooren lezen over "geistige Feuerfunken, die nach der Mäusefalle (het Goetheanum) zischen". En diezelfde leiding waarschuwde haar schapen verder: "Es wird Klugheit Steiners bedürfen, versöhnend zu wirken, damit nicht eines Tages ein richtiger Feuerfunke der Dornacher Herrlichkeit ein unrühmliches Ende bereitet". In de roomsche vereeniging Jung-Solothurn riep in denzelfden tijd een spreker zijn hoorders toe: "Schart euch zusammen! Sturm dem Goetheanum!"

     Men moet het beleefd hebben om te weten, hoe het leven is op een plaats, waar uit onmachtig onverstand haat van alle kanten samenstroomt.

     Dien laatsten dag, terwijl de lont van —den haat reeds in het gebouw gelegd was zóó geraffineerd van het betonnen terras af in den meters dikken houten bovenbouw gestooten, dat het vuur tot 10 uur in den avond zijn verterend werk kon doen vóór de schanddaad ontdekt werd — dien laatsten dag was de daemonie van den haat wel heel afschuwelijk voelbaar. Ik geloof niet, dat ik in het dagelijksch leven een bepaald onverdraagzaam mensch ben. Als een feit herinner ik me echter, dat ik me tot mijn eigen grenzelooze verwondering al die uren, van vijf tot tien, dat we haast onafgebroken in het aangestoken gebouw hebben gezeten, aan alle menschen geërgerd heb: aan de dorpelingen, die na de pauze der eurhythme willekeurig zich op de "goede" plaats van een ander zetten, aan een jonge dame, die en grand décolleté 's avonds voor de rede van dr. Steiner in het Goetheanum verscheen, en aan nog veel meer. Alle levenswijze voor-kennisgeving-aannemen van der menschen levensdom me zwakheden ontbrak me voor ditmaal. Bij herdenking weet ik, dat ook vele anderen een invloed van het uit haat verterend Goetheanum, waarin we ons onwetend bevonden, onder- gaan hebben. Ik herinner me, dat ik zelfs onder Steiners rede een eau-de-cologne- flesch naar een bezwijmende dame heb moeten doorgeven.

     Toen we om 10 uur den berg afgingen, schaamde ik me wanhopig, maar zonder eenig resultaat, over m'n totaal gebrek aan eenige meditatieve Oudejaarsstemming. "Beneden" sloot ik me in m'n kamer op. Even half II de telefoon: Brand in het Goetheanum! Om elf uur weer "boven": tegenover één onmetelijke zwarte wolk, waarin het Goetheanum gehuld moest zitten. Tot een reusachtige vlam opsloeg in den rookkolos....

     Toen het gebouw om 10 uur door alle bezoekers verlaten was, waren de wakers bij hun rondgang op de Zuidkant brandlucht gewaar geworden. Zij zochten, vonden niets, belden autoritatieve personen op, ook die zochten zonder resultaat. Tot men ten slotte ergens in het hout, waar het sterk rook een gat sloeg; de vlam, het verterend beest, dat reeds overal door de ingewanden was rond- gekropen, spoot naar buiten. En daarmee was het met den Bau gedaan. Toen de menschen, die hem een uur geleder, verlaten hadden weer om hem verzameld stonden, viel er niets meer te redden. Toen de dorpsklokken Sylvester luidden, stortte het groote koepeldak, dat eens in lichte kleuren den mensch van den ontwikkelingsgang der aarde gesproken had, van het oerbegin af — met donderend geraas in de vlammenzee.

En nu, zeven jaar later....

     Dr. Steiners redevoeringen op het toenmalig Kerstcongres, de laatste dus in het eerste Goetheanum, zijn thans zooveel mogelijk op den gelijken dag voorgelezen: een rijkdom aan hooge kennis, die ook na zeven septennia nog op de toekomst berekend zal blijken, laat staan verouderd zal zijn. Op den gelijken tijd opgevcer al, zeven jaren geleden rees op den Sylvesterdag spookachtig zwart Mephisto uit de helroode gaping in den vloer, achter hem liet kleurig tooneel vol engelwezens. De laatste rede van Steiner in den eersten Bau klonk ook ditmaal op den Oudejaarsavond. En Nieuwjaarsdag om 5 uur ging het Driekoningenspe, dat Steiner ook toen, zooals het op het program stond, liet doorgaan in de Schreinerei naast de geweldige puinhoop, die nog steeds stond te branden.

     Als ik mijn indruk gedurende deze Weihnachtstagung zeggen moet, kan ik uitspreken dat, niettegenstaande alle smartelijke, weer levendig geworden herinneringen, een gevoel van bevrijding zich gelden deed. Zelfs de duivelsch-krijschende stem van Mephisto in den Prolog im Hiinmel, waartegen ik destijds mijn oor met mijn hand beschutte, aanvaardde ik thans gelaten als nu-ook-eenmaal deel van het leven. Voortdurend had ik het gevoel, of de zeven jaar geleden naar het onbegrepen Goetheanum saamstroomende domme daemoniselie haat was opgeheven.... zou het waar zijn? Zou de tijd rijper zijn geworden voor begrip van de zending van het Goetheanum? Ik denk weemoedig aan de woorden, die Steiner op zijn ziekbed moet hebben gesproken: "Als ikzelf er niet meer zijn zal, zal mijn zaak, de zaak van het menschdom, bereidwilliger aanvaard worden. "

                                                                                                                                                              Adelyde Content 

terug naar Artikelen