terug naar Publikaties
Anthroposophie; maandblad voor sociale, paedagogische en geestes-wetenschappelijke vraagstukken, jrg. 1. 1922, januari-december, no.1-12, 1922
DE MODERNE TEKSTKRITIEK EEN GEVAAR VOOR MYTHEN EN SAGEN
door
Adelyde Content
In een artikel "Mythe en sage in het licht der anthroposophie" (verschenen in het laatste No. van de "Drieledige Indeeling van het Sociale Organisme") klaagt L., dat op het gebied der mythe- en sage-ontginning tegenwoordig "einddoel is de van alle toevoegsels ontdane oorspronkelijke redactie". En hij vervolgt: "Daar het wetenschappelijke denken zulk een richting in de laatste helft van de 19de eeuwgenomen heeft, dat men tevreden is met een beschrijving der verschijnselen en zich niet in staat acht tot het wezen dezer verschijnselen door te dringen, vergeet men geheel en al te vragen naar den diepen achtergrond van mythe en sage".
Ik zou nog verder willen gaan en beweren, dat de bedoelde tekstkritiek reeds lang over haar hoogtepunt heen is, dat door een tekort aan begrip voor de geestesgesteldheid van den mensch uit het verleden en zijn toenmalige plaats in het heelal, reeds veel meer uit de oude teksten verstouten is dan verdwaalde toevoegsels, en dat bij elke nieuwe uitgave van een ouden tekst opnieuw plaatsen onbegrijpelijk geacht en voor het modern begrip pasklaar gemaakt worden. Zoodat, wanneer er eens wèl in iemand de drang zal ontwaken "naar den diepen achtergrond van mythe en sage te vragen", naar alle waarschijnlijkheid juist de plaatsen, die hem wegwijs hadden kunnen maken, die hem den draad in handen hadden kunnen geven, zullen zijn weggevaagd.
Zooals zoovele takken der wetenschap is ook de tekstkritiek over haar hoogtepunt heen op het doode punt beland. Hij, die in later eeuwen de geschiedenis van het menschewezen aan oude teksten zal willen demonstreeren, zal zich genoodzaakt zien, tekstkritiek in tegengestelde richting te gaan bedrijven, d. w. z. van de meest moderne uitgaven, al herstellende, terug te gaan tot hij bij het oudst-bereikbare handschrift zich verzekerd kan houden, den oorspronkelijken tekst en de oorspronkelijke bedoeling het dichtst genaderd te zijn. Die teruggaande onderzoekingstocht zal dan tevens een stukje geschiedenis van het menschelijk denken hebben opgeleverd.
Aan één eenvoudig woord uit het oud-grieksch zou ik gaarne mijn voorafgaande bemerkingen trachten te demonstreeren. Aan het grieksche "nêdumos" denk ik, een woord dat twaalf maal in de Ilias en de Odyssea van Homerus voorkomt en verder nog maar op een heel enkele plaats bij andere oude schrijvers. Tot voor weinige jaren, het begin dezer eeuw zoo ongeveer, wist men met dit woord vrijwel niets aan te vangen, verdiepte zich in gissingen omtrent de afleiding, eindigde met een vraagteeken. Thans gist men niet meer men weet. De bescheiden vraagteekens zijn uit de woordenboeken der 20ste eeuw verdwenen. De oplossing: het woord heeft in dien vorm nooit bestaan, is een verkeerde schrijfwijze voor een ander woord.
Nu wil ik eerst trachten, met behulp der anthroposophie aan te toonen, wat Homerus met zijn "nêdumos" kan hebben bedoeld. In het licht dier eenvoudige oplossing zal het tragische der machtelooze, steeds meer de waarheid wegwerkende methode der moderne tekstverklaarders des te sterker uitkomen.
Het bedoelde woord komt op alle twaalf plaatsen bij Homerus steeds voor in verbinding met "hupnos", slaap. Voor de hand ligt dus, dat "nêdumos" een eigenschap van de slaap moet aangeven. Wij weten uit talrijke voordrachten en boeken van Dr.Steiner, dat de slaap is: het vertoeven van ons Ikbewustzijn buiten ons lichaam. 's Morgens, bij het ontwaken, duikt dit ik-bewustzijn in ons neergestrekt lichaam onder, 's avonds, bij het slapen-gaan, verlaat het dit weer. En... hiermede is de beteekenis van het woord "nêdumos" eigenlijk meteen al gegeven. Het voorvoegsel nê- beteekent standvastig niet, -dumos is afgeleid van het werkwoord duesthai, dat onderduiken beteekent, dus: de nêdumos hupnos is de slaap, die niet onderduikt. Homerus, de blinde zanger, d. w. z. de zanger, wiens blik nog versluierd was voor de stoffelijke wereld, maar geopend voor het geestelijke. Homerus zag nog, hoe de geestelijke kern van den mensch gedurende zijn slaap buiten zijn lichaam vertoefde om bij het ontwaken daarin onder te duiken. En ook de zangers, die in de oudheid al rondtrekkend zijn zangen voordroegen, wisten, al was hun blik thans voor de geestelijke wereld versluierd geraakt, nog zeer goed wat slapen en waken beteekenen. Begrijpend en begrepen zongen zij van den nêdumos hupnos. En de geleerden, die in opdracht van den atheenschen tyran Pisistratus in het midden van de 6de eeuw voor Chr. de alom verspreide, alom gezongen Homerische zangen tot één geheel vereenigden en daarmede den tekst vastlegden, wisten niet anders of bij den slaap hoorde z'n kenmerkend adjectief "niet-ondergedoken", nêdumos.
In den modernen tijd is de kennis van het wezen van den slaap geheel verloren gegaan. Waar nu nêdumos onverklaarbaar bleek, maakte men het tot een verschrijving voor een woord, dat men wel kon verklaren, en waarvoor de kennis van het wezen van den slaap niet noodig is. Duidelijk is, dat men, door dit schrappen van wat men niet meer verstaat doordat een werkelijke kennis van den mensch niet aanwezig is, hoe langer hoe verder verwijderd raakt van wat men nastreeft: de oorspronkelijke vorm en bedoeling van oude teksten. Terwijl men tevens zich een mogelijkheid te meer afsluit om werkelijke kennis van den mensch te verkrijgen. Juist het geval, dat we hier behandelen, is daar een sprekend voorbeeld van.
En nu de glossen der tekstverklaarders. Slaan we Autenriesh op (Wörterbuch zu den Homerischen Gedichten, siebente verbesserte Auflage, 1893), dan vinden we bij hem geen besliste eigen meening over de etymologische afleiding van "nêdumos". Omtrent de beteekenis blijkt evenwel aarzeling overbodig: hupnos "dessen man nicht satt wird: tiefer, fester Schlaf". Tusschen haken geeft hij dan nog de etymologische woordafleiding van enkele critici, o. a. van A. Göbel, van wien de afleiding van "nê = niet en den stam "wad" (Latijn satis, d. i. genoeg, verwant met ons "zat") stamt. Het begrip echter van een onverzadiglijken slaap, van een slaap, waar men niet genoeg van kan krijgen, lijkt mij bij de Grieken, die zoo verzot op het schoone, wakkere leven waren, geheel misplaatst. En dan geeft hij natuurlijk ook de door Buttmann gelanceerde waarschijnlijkheid van de verkeerde schrijfwijze: nêdumos staat voor hêdumos, 't welk is afgeleid van "hêdus", dat "zoet" beteekent.
Deze laatste opvatting nu heeft algemeen veel bijval gevonden. De gedachtengang was als volgt. In het oudere grieksch bestond een letter, de digamma, die in het latere grieksch verloren is gegaan, meest vervangen werd door een aspiraat, een h-klank. De digamma is eenigszins weer te geven door den klank van onze "w". Homerus heeft zonder twijfel nog de digamma gebruikt, waar Plato b.v. de aspiraat plaatste. Dat "hêdus", waar we het zoo juist over hadden, luidde in de tijden van Homerus "wêdus". Daarvan werd weer een woord "wêdumos" gevormd. Nu redeneerde Buttmann verder: toen later die digamma verloren ging, nam "hêdumos", dat nog al eens achter een op een -n uitgaand woord stond, de n van dat voorafgaande woord tot zich en werd "nêdumos". Dus zooals wij dat omgekeerd in onze taal ook beleefd hebben in woorden als een "arreslede", welke haarn (oorspr. narreslede) aan het voorafgaand lidwoord afstond, en in b.v. het platboomde, Nederrijnsche vaartuig "de aak", 't welk oorspronkelijk een naak geweest is, in 't Duitsch "eine Nache".
Ge zult het met me eens zijn: de vondst van Buttmann ware niet van vernuft ontbloot, als maar niet.., de grondslag foutief was, n.l. berustte op de veronderstelling, dat het in den tekst aangetroffen woord onverklaarbaar, onbestaanbaar moet heeten. De Berlijnsche hoogleeraar uit het midden der vorige eeuw, Pape, spreekt echter van een "sehr tüchtige Abhandlung", waarin Buttmann "wêdumos" houdt "für die ursprüngliche Lesart im Homer, aus welchem sich nach dem Verschwinden des Digamma durch Missverstandnis und Irrtum die Lesart "nêdumos" herausgebildet habe, schon sehr früh". Men lette op die tot slot toegevoegde woorden. Terwijl de digamma misschien nog niet eens algemeen in het spraakgebruik was uitgestorven, zou juist die "wêdumos hupnos" door den "nêdumos hupnos" vervangen zijn, ook op plaatsen, waar het woord niet aan een voorafgaand woord een "n" ontleend kon hebben. Zoo'n beetje anachronisme werkt men achter z'n vernuftige afwikkeling echter maar weg met een paar passabele woorden... schon sehr früh.
In vrijwel alle uitgaven van de vorige eeuw vinden we voor "hupnos" nog steeds de schrijfwijze "nêdumos" en in vrijwel alle woordenboeken uit dien tijd vinden we, als we het woord opslaan, de gissing van Buttmann naast enkele andere gissingen aangegeven. Tot de geesten in onze eeuw meer "verlicht" lijken. Dr. van den Es had eertijds, in zijn veelgebruikt woordenboek, nog enkele oudere gissingen ten beste gegeven. Prof. Dr. F. Muller, wien door de uitgevers een nieuwe bewerking van Van den Es' Woordenboek was verzocht en die in zijn Voorrede, Dec. 1919, schrijft: Reeds bij de bewerking van het eerste vel werd mij echter duidelijk, dat er van een bewerking van het Woordenboek van Van den Es geen sprake kon zijn Prof. Muller geeft op nêdumos niets meer dan, kort en zeker: ontstaan uit wêdumos. En onze gewezen Leidsche hoogleeraar Van Leeuwen, wiens uitgave van Homerus, annexe aan zijn Schoolwoordenboek op de gedichten van Homerus, op onze gymnasia heden ten dage zeer in zwang is, heeft kort en bondig des slaaps kenmerkend, logisch adjectief geheel verdonkermaand, in zijn tekst alle twaalf keeren van den ivêdumos hupnos gesproken, en in zijn Schoolwoordenboek waar men "nêdumos" natuurlijk tevergeefs naslaat achter wêdumos in rond Hollandsch "lekker, aangenaam" geplaatst. Voor den Hollandschen gymnasiast aldus het springlevend adjectief "nêdumos" in een aangenamen slaap doende inslapen.
Verheugender was, dat ik nog bij Pape en zelfs nog bij Dr. Montijn, op den grens onzer eeuw, in 1899, onder andere hypothesen die vond van: afgeleid van nê- en duesthai. Ook Van den Es geeft deze glosse nog aan. En allen hebben ze die aanwijzing van den beroemdsten taalkundige der oudheid, Aristarchus van Samothrace, levend aan het hof van den Egyptischen koning Ptolemaeus Philometor, als goeverneur van diens zonen. Zijn leven en werken vallen dus in de eerste helft van de eeuw voor onze jaartelling. Maar zelfs Aristarchus, die nog voelen kon dat het woord uit niets anders ontstaan kon zijn dan uit nê- en duesthai zelfs voor Aristarchus was de zin van die samenstelling al verloren gegaan. En hij verklaart: nêdumos dus = nêgretos. Nu is nêgretos ontstaan uit nê = niet, en egeiresthai = ontwaken. Dus voor nêgretos is de beteekenis = waaruit men niet kan ontwaken. Duesthai heeft Aristarchus dus genomen in de beteekenis van egeiresthai, ontwaken werd voor hem gelijk aan: onderduiken. Dat zou dus zijn: onderduiken in het waakleven. Dus: nêdumos = niet kunnende onderduiken in het waakleven. Ik meen, het onjuiste van deze verklaring der samen-stelling te kunnen aantoonen juist met het voorbeeld, door hetwelk Pape tracht ze aannemelijk te maken. Hij toch schrijft: nêdumos hupnos also ein Schlaf, aus dem man nicht heraus kann, ein tiefer, fester, gesunder Schlaf, wie "nêgretos", mit welchem Worte nêdumos Odyssea Xlll 79 verbunden ist. Odysseus gaat scheep in zijn laatste landings- of liever strandingsplaats, voor hij, na zijn eindelooze omzwervingen, Ithaca zal bereiken: op de kust van het eiland der Phaeacen. De koning van het eiland, Alcinoüs, heeft het schip uitgerust, van al het noodige voorzien. Op het achterdek wordt een zacht, weelderig bed voor Odysseus gespreid, de roeiers maken zich gereed. Odysseus legt zich neder. Dan komen de verzen 79 en 80:
En hem viel op de oogen de "nêdumos hupnos"
"Nêgretos", zeer zoet, zeer na gelijkende op den dood.
Volgens Aristarchus en zijn volgelingen zou dit dus over te zetten zijn:
En hem viel op de oogen de niet af te schudden slaap.
Waaruit hij niet ontwaken kon, zeer zoet, etc.
Dit nu is ten eenenmale niet Homerisch: één adjectief attributief te plaatsen, en in een volgend vers precies hetzelfde begrip nog eens in een anderen vorm te herhalen. Neen, echt Homerisch is een andere verbinding, waaraan ik mijn in het begin gegeven verklaring hoop te staven.
Hera, steeds er op uit, de plannen van haren gemaal Zeus te dwarsboomen, weet op een oogenblik geen anderen weg dan naar Hupnos te gaan en hem te bidden, dat hij de stralende oogen van Zeus een wijle zal doen inslapen. Hupnos heeft bezwaren, hij weet bij ondervinding wat hem dat oplevert: den Vader van goden en menschen tegen Zijn wil in slaap te maken. Hij heeft het immers vroeger al eens, Hera ten gerieve, ondernomen: "toen, voorwaar", zegt de Slaap, "verzamelde ik den geest van den aegisdragenden Zeus, nêdumos amphichutheis". Amphichutheis beteekent letterlijk: rondomgegoten. En dit nu is typisch Homerus: zoo'n asyndetische (onsamengevoegd, zonder voegwoord) verbinding van twee tegendeelen: niet ingedoken, rondomgegoten. Prachtig is hier ook dat woord "verzamelde", het geheele beeld blijft zuiver: de Slaap, die, zwevend om Zeus heen. Zijn bewustzijn daar verzamelt. De tektszuiveraars, die wêdumos "verbeterden", wisten vanzelfsprekend ook met het "verzamelen" toen geen raad meer en decreteerden, dat ook dat een verschrijving was voor een ander woord, dat "betooveren" beteekent. Nietwaar(?) een zoete slaap betoovert. Zelfs Vosz, die ons werkelijk zoo'n bewonderenswaardige metrische overzetting van Homerus geleverd heeft, Johann Heinrich Vosz zelfs tracht ons te betooveren met het modern-verliefde beeld:
Denn ich betäubte den Sinn des ägiserschütternden Gottes, Sanft umhergeschmiegt...
Aan één simpel woord heb ik trachten aan te toonen, waartoe men komt, wanneer men zonder kennis van oude bewustzijnstoestanden op oude teksten kritiek tracht te oefenen. De eene fout sleept noodgedwongen een andere na zich, de voor den tijd van het ontstaan meest kenmerkende plaatsen worden verminkt. Het is zoo moeilijk, op een eenmaal bestegen stokpaardje niet verder te ruiteren. En zoo makkelijk, de aangegeven gissing van een voorganger maar als een wenk te beschouwen. Zie Pape: Spätere Dichter scheinen die Form "nêdumos" in der Bedeutung "süsz", "angenehm", "lieblich", gebraucht zu haben. En dan noemt hij twee plaatsen, waarvan de eene het woord vertoont in verbinding met de Muze, en de andere met Orpheus. lets wat juist voor ons, die in de Muze een geestelijk wezen erkennen, waarmede de geest van den geïnspireerde, uit zijn stoffelijke behuizing gelokt, samenvloeit, en in Orpheus den gewijden zanger, wiens bewustzijn niet in zijn stoffelijk lichaam, maar in de geestelijke wereld toefde voor ons zijn dergelijke aangehaalde plaatsen precies het bewijs van het tegendeel van wat ze graag bewijzen zouden. En tevens een bewijs voor het gevaar van een tekstkritiek, die in blindheid niet anders kan dan van de eene verminking in de andere vervallen.
_____________________
terug naar Publicaties