terug naar Artikelen

12.02.1930, Het Vaderland

   Uit Dornach

              ____

Lörrach im Wiesental

              ___

Anthroposophische Vereeniging. – Christengemeenschap

Anthroposophie een wetenschap Christengemeenschap een geloof    II

(Eigen brief)

     In Lörrach alzoo, even voorbij Bazel over de Badensche grens, treden sinds jaren zoowel de anthroposophie als de Christengemeenschap in het openbaar op. Ook uit Dornach worden er nu en dan sprekers genoodigd. Den laatsten tijd spraken er o. a. eenige malen van hier dr. Otto Fränkl en Günther Schubert, welke laatste in 1922 van een Nederlandsche universiteit naar Dornach kwam en hier bleef. Aan het Goetheanum houdt hij geregeld lezingen.

Men zou nu zoo denken, dat, bij een jarenlange mogelijkheid om uit de kringen zelf van anthroposophie of van Christengemeenschap te hooren, de geïnteresseerden in Lörrach ook weten, waar het om gaat. Integendeel echter bleek het werkelijk mogelijk, dat onlangs in de jaarlijksche districtsconferentie van evangelische geestelijken aldaar, naar we in de bladen lezen "dominee Greiner in een lezing van anderhalf uur zorgvuldig en uitvoerig de gedachten en voorstellingen der anthroposophie van Rudolf Steiner alsook van de Christengemeenschap uiteenzette." Daargelaten nu of het überhaupt mogelijk is Steiners geestesgoed van een heel leven in anderhalf uur "zorgvuldig en uitvoerig" uiteen te zetten, is in dit geval een zoo dwaze uiteenvalling van de ware samenhang en strekking der anthroposophie te constateeren geweest, dat zoowel de anthroposophische vereeniging als de Christengemeenschap te Lörrach een uitnoodiging de wereld inzonden, waarin zij aankondigden: onder deze omstandigheden zien wij van elke verdere polemiek af. Wij appelleeren echter aan het gezonde oordeel van het algemeen publiek en van allen, die ooit een anthroposophische lezing gehoord hebben of een wijdingshandeling der Christengemeenschap hebben bijgewoond, door ze tot een openbare lezing met aansluitend vrije discussie uit te noodigen.

Het was ook werkelijk al te dwaas. Het was het eeuwige onverstand, waar Steiner bij zijn leven zoo pijnlijk onder geleden heeft. Men nam een paar boeken van hem, sloeg ze midden ergens open, bladerde er nog wat in — wie heeft tegenwoordig den tijd om een roman rustig uit te lezen, laat staan een philosophisch boek van de eerste pagina tot de laatste pagina onderzoekend te volgen(!) verwonderde zich over dat vreemde nooit gehoorde en.... men wist het. Men zette zich aan de eigen schijftafel en slingerde vandaar een kattebelletje der wereld in over het ongehoorde der anthroposophie. Of men stelde zich op het podium, las een publiek, dat nog blank papier was, alweer zonder samenhang een brok hiervoor en een brok daar, had het grootste succes, aangezien de mensch in dezen zuren tijd dankbaar is voor elken komischen indruk en ging als held naar huis. Het allereerste, waar Steiner steeds weer op wees als noodig tot 't verwerven van eenig inzicht, in hoogere waarheden, nl. een zielegesteldheid van vereering voor waarheid en kennis verwerven, ligt onzen tijd verre. En deze als eerste schrede op den door Steiner aangewezen, in casu bespotten weg ter inwijding in de allereerste verborgen waarheden te doen, nog verder. Spotten is makkelijker dan doen.

Wat Steiner ook steeds weer met de stukken aanwees, was, hoe niet alleen geen enkele bestrijder van hem dit uit een grondig volgen van zijn werk deed, maar hoe men een anderen bestrijder las om zich een oordeel over anthroposophie te vormen. Voor het lezen van Steiner zelf, wat inspannen van de logische denkkracht beteekende, ontbrak het geduld, veel makkelijker en bereider las men een van spot en nijd ingegeven brochure van een tegenstander.

Hoe dominee inlichtte

Hoe dominee inlichtte. Zoodat bijv. ook in de Lörracher conferentie der Evangelischen, bovengenoemde dominee zijn confraters nog eens inlichtte zeventien jaren nadat Rudolf Steiner zich uit de theosophische vereeniging, waar hij een tijdlang zijn lezingen gehouden had, terugtrok toen daar de, naar hij verklaarde, onmogelijke tendens opkwam den terugkeer van den Christus op aarde in aardsche gedaante, nl. in het lichaam van Krishnamoerti, te verkondigen — inlichtte, dat Steiner volgens zijn eigen overtuiging en die zijner volgelingen de zeer geïncarneerde bijbelsche Christus zou zijn! Waartoe, zou men zoo zeggen, heeft Steiner niet één, maar duizend malen uitgesproken de physieke verschijning van den Christus op aarde heeft een "einmalige" impuls in de aarde gelegd, het mysterie van Golgotha is een "einmaliges Ereignis".

Dan leest men in de verslagen van des Plarrers rede bv.: "Mysterienculten hebben te allen tijde en overal naast de groote godsdiensten bestaan als pogingen om in de occulte gebieden van het geestesleven binnen te dringen. Maar deze pogingen zijn nooit in breede kringen toegankelijk geworden. Reeds daarom kan van een bevordering van het religieuze leven in dezen tijd geen sprake zijn. Het is daadwerkelijk een recht exclusieve wetenschap, die zich thans liever anthroposophie, niet meer theosophie noemt, daar in het middelpunt slechts de mensch, niet meer God staat; wil men dus een "godlooze religie." Alweer zoon apodictische uitspraak, welke alleen maar bewijst, dat de geestelijke, die "zorgvuldig en uitvoerig" de anthroposophie uiteen heet te zetten, van dat waar het om gaat nog geen flauwe notie heeft. Anders zou hij weten, dat ten eerste juist Steiner den tijd rijp verklaarde, dat de zg. occulte gebieden wèl breeden kringen toegankelijk werden en dat hij naar zijn vermogen getracht heeft, voor breede kringen ook die occulte gebieden te ontsluiten. En dat een aanhooren van zijn mededeelingen hieromtrent het religieuze leven, reeds lang vruchtbaar bevorderd zou hebben. En ten tweede zou hij weten, dat het lot van den mensch voor Steiner in zoo nauwen samenhang met het lot Gods staat en omgekeerd, dat er van een middelpunt hier geen sprake kan zijn, hetzij dan dat in de anthroposophie steeds wordt aangetoond, dat de mensch niet een verloren stofje in het heelal is, maar een middelpunt om wiens evolutie heel de geestelijke wereld in onophoudelijke beweging is. Wel nergens meer dan in de anthroposophie ontstaat daardoor bij den mensch een innig verband met en een zoeken naar de Godheid.

Merkwaardig sluit aan de genoemde "evangelische" uitspraken de laatste noot van het verslag aan: "Deze inzichten werden bij de levendige discussie nog verder toegelicht.... Niet werd verzwegen dat door Steiner ook een theoloog tot een dieper begrip van het evangelie kan worden gevoerd, zonder zijn kerk ontrouw te worden. De discussie was gedragen door den geest der verant- woordelijkheid, die den diepen ernst der situatie in het religieuze leven in den tegenwoordigen tijd voelt...."

Hoe rijmt de bestempeling van een "godlooze religie" van Steiner samen met de «toelichting", dat zelfs een theoloog van hem een dieper begrip van het evangelie kan verwerven? Wanneer men zoo van den diepen ernst der situatie in het religieuze leven overtuigd is, zou men op de gedachte kunnen komen, dat het zich door Steiner dieper begrip doen verschaffen van het evangelie, voor de theologen wel eenigen zin kon hebben...

Steiners streven

Op dien donkeren avond dus reden we de grens over. Die grens, die nog onschuldiger zich toonde dan de dikkeroode lijn op de landkaart : slechts een uniform, die den auto tot stilstand maant, een hoofd naar binnen steekt, dat «Nichts zu verzollen?" vraagt en zich daarna haast zonder antwoord al te wachten weer terugtrekt. De chauffeur zet opnieuw aan. Een klein, welvarend stadje leek Lörrach im Wiesental me zoo in den avond, gebouwen en huizen van stavast; als je van "het land" komt, opvallend schoone straten. In een zijstraat naast het eenvoudige buitenrestaurant, in welks "groote zaal" de avond zal worden gegeven, een file van meer en minder voorname motorvoertuigen. Ook de groote binnenhof van het restaurant reeds geheel vanwege onze moderne vervoermidddelen ingenomen. We hoorden, dat er van Rheinfelden en alle plaatsen in den omtrek in dezen Schwarzwalduithoek belangstellenden in de verwachte uiteenzettingen waren toegestroomd. De zaal en de tribune achter in de zaal waren dan ook waarlijk propvol.

Günther Schubert, als spreker door de Anthroposophische Vereeniging in Lörrach uitgenoodigd, begaf zich naar zijn plaats aan de tafel op het podium. Daar zat de voorzitter van de Anthroposophische Vereeniging in Lörrach, daar zat ook een prediker of priester der Lörracher Christengemeenschap, daar zat de spreker, die het woord zou voeren ter verklaring van den zin der Christengemeenschap: de zeer bekende schrijver, dichter, componist en wat-niet-meer-aanbegaafdheden Friedrich Doldinger, priester der Christengemeenschap in het ook zeer naburige Freiburg.

De voorzitter der Lörracher Anthroposophische Vereeniging legt er nog eens den nadruk op, dat de uitnoodiging tot dezen avond is uitgegaan van Anthroposophische Vereeniging en Christengemeenschap, twee bewegingen, die geheel zelfstandig staan. Daar echter beide, als vruchten van dr. Steiners geest, door de evangelische geestelijken tegelijk verkeerd zijn toegelicht, zullen ze op één avond beide de onjuistheden trachten recht te zetten. Hier is geen strijd bedoeld, geen uitnoodiging tot kampen, het gaat er slechts om, waarheid te verschaffen. Dan toont Schubert in een kort, duidelijk referaat aan, hoe anthroposophie het streven van dr. Steiner is, het kenvermogen van den mensch te vergrooten, te verbreeden. Het groote verschil met de heerschende wetenschapsmethoden is wel, dat 't bij de laatste louter gaat om de verwerving van kennig, doch Steiner zegt: versterk uw wil zoo, dat ge moreeler wordt. Grooter moraliteit zet de grenzen van het kenvermogen uit. Heel de ontwikkeling berust er nu eenmaal op, dat iets onvolkomens tot iets volkomens wordt. De verandering van het onvolkomene tot het volkomene In den mensch leidt er toe, dat hem een grooter kennis geopenbaard wordt.

Op de waarschuwing op genoemde domineesconferentie, dat het om de evangelische heilsleer gaat, dat de anthroposophie leert, dat de mensch zelf zich verlost, niet de Christus, sloeg wel Schuberts nadrukkelijk betoog, dat de mensch niets naar zich toe kan dwingen, wat hij niet eerst veroverd heelt. Alles wat de anthroposophie als een bepaalde scholing geeft, concentratie en meditatie, helpen niet, wanneer de mensch zich niet moreel vervolmaakt, maar deze moreele volmaking zou onmogelijk zijn en zelfs geen zin hebben, wanneer niet — en hier betreft het juist een der centrale punten der anthroposophie — door de verschijning van het Christuswezen in een menschelijk hulsel de mogelijkheid tot verlossing van de erfzonde en tot het naderkomen tot Gods evenbeeld voor den mensch geschapen was. En verder: wanneer iemand zijn hand uitstrekt, komt niets tot stand, wanneer de ander die niet aanneemt. De anthroposoof weet, dat de Christus wacht, dat het echter aan hemzelf is, tegemoet te komen aan dat, wat door den Christus geboden wordt.

Wetenschap en geloof.

Typeerend voor Schuberts referaat was, hoe hij voortdurend deed uitkomen, hoe anthroposophie een wetenschap is, geen geloof. Hoe het geloof echter door weten versterkt wordt. Hoe wetenschap daarbij voor den anthroposoof niets met een intellectueel turnen te doen heeft, maar dat voor hem wetenschap slechts datgene is, waarbij de geheele mensch verder komt.

Moll, de prediker der Lörracher Christengemeenschap leidt vervolgens Friedrich Doldinger in. Uit de woorden van Moll en Doldinger blijkt den toehoorders duidelijk, dat, waar anthroposophie een wetenschap is, de Christengemeenschap een kerk is. De roeping van een kerk kan het slechts zijn, aldus Moll, voor den wijdingsstroom, die van den aanvang af er geweest is, de verbinding te vinden met den heerschenden tijd. In onzen tijd is veel aan verandering onderhevig, de mensch is veranderd, er helpt geen ontkennen aan. De mensch zelf voelt, dat op de oude wijze de wijdings- stroom geen verbinding meer met hem vindt. De kerk heeft de bodem te zoeken, van waaruit zij het voedsel zegenen kan.

Dan komt Doldinger achter den lezenaar. Vraagt men, zegt hij, wat wil christengemeenschap, dan moet men antwoorden: de Christengemeenschap wil niets, de geestelijke wereld wil. Zij wil een opwerken tegen de satanische praktijken, welke zich thans op aarde verbreiden. Maar de Christenge- meenschap weet, dat slechts een werken door de ideeën van tolerantie en vrijheid is, wat in onzen tijd van de kerk geëischt mag worden. De kerk moet vrij zijn van elk verband met den staat; het religieus leven kan niet van vorming door den staat afhankelijk zijn. Toen in den oorlog elke natie op haar wijze haar religie tot aanhitsing tot de overwinning gebruikte, heeft de religie haar crediet verloren. De eenige raad, welken Doldinger den kerkdienaren zou kunnen geven, is: doet in een heroïsch besluit radicaal afstand van elke tegemoetkoming, welke met een impuls uit de religie zelf te maken heeft. Ook dit vernietigend element ontbreekt bij ons, licht hij in; de tendens in vele religies, om het weten zoover mogelijk afzijdig te houden. De Christengemeenschap weet zich vrij van wat in de verste verte aan dwang kan herinneren, zij heeft geen Bekenntnis, maar een Erkenntnis. Om het religieuse leven een zin te geven voor het moderne bewustzijn, hebben de theologen der Christengemeenschap zich gewend tot hem, die voor den modernen mensch de mysteriën weer ontsloten heeft, tot Rudolf Steiner. In vrijheid kan men tot de Christengemeenschap komen, in vrijheid aanschouwen en toeluistercn. Een ding is slechts klaar, aldus eindigt Doldinger: dat de toekomst der menschheid bij diegenen zal zijn, bij wie met de religieuse vrijheid werkelijk ernst gemaakt wordt.

Nu is het een feit dat, naar ik algemeen steeds hoor, een zoo algemeen opgroeien der jeugd zonder eenig verband met een Godsbegrip, in welken zin dan ook, zooals dat jarenlang in Nederland gewoonte geweest is en nog is, in, Duitschsprekende landen nooit bestaan heeft. Ieder Duitsch kind spreekt met meer of minder schroom over "Gottvater" en heelt een teere snaar voor het "Christkindlein". Maar over de meeste stemmen, die daarna van geestelijke zijde van het podium hebben geklonken, moeten, naar later gebleken is, zelfs de godvruchtig opgegroeide Duitschers verstomd hebben gestaan. Men vroeg zich werkelijk af: zijn dergelijke geluiden in onzen tijd na den oorlog en te midden van de decadente naoorlogsverschijnselen, nog mogelijk? Een debater met een der redenaars begon uiteen te zetten, wat hij voor een God en wat hij voor een Christus had. Zonder eenig besef, hoe het bij de beide inleidende redenaars niet gegaan was om een leer, die den een of ander naar zijn aanleg persoonlijk bevredigde, maar om een geestesbezit, dat in staat zou zijn, de decadentie van den tijd te beheerschen. Het is toch een feit dat de menschheid als geheel naar zelf niet beleefde woordsamenhangen als "we danken God de verlossing en willen God eeuwig daarvoor danken" niet meer luistert, maar liever naar een film gaat kijken, die haar sensatielust prikkel.

Wat de anthroposophie doet

Als een bevrijding deed het dan ook aan, toen dr. Fränkl op het podium trad en op de hem eigen rustige wijze nog eens weer opmerkte, dat de anthroposophie en de Christengemeenschap zich dezen avond bereid hadden verklaard, te zeggen wat ze zijn, te zeggen wat ze willen, te zeggen wat ze te brengen hebben. Er bestaat een ontwikkeling, die er toe geleid heeft, dat niet honderdduizenden, maar millioenen niet meer bevredigd zijn; die kunnen het bewonderen, dat anderen wèl zich voldaan voelen, maar ze hebben ook zelven hun zielebehoeften. En hier moet hij het woord van Doldinger overnemen en wijzen op de satanische practijken in de wereld buiten de kerken. Hij vraagt nogmaals anthroposophie en Christengemeenschap uit elkaar te houden, elk staat voor zijn eigen taak. Hij staat hier als anthroposoof. Er moest iets komen, wat dien anderen millioenen iets gaf. Het zou de geestelijken gelukkig moeten stemmen, dat er thans een geestelijke wetenschap opkomt, die in staat is, aan de zielebehoeften dier millioenen tegemoet te komen. Het laatste, wat die geestelijkheid zou mogen doen, is: een arbeidsgemeenschap, die deze taak voor die millioenen tracht te volbrengen, in discrediet te brengen. Het is wel vijfentwintig jaar geleden, aldus Fränkl, dat dr. Steiner in den Elzas eens een openbare lezing hield, na welker afloop er twee roomsche geestelijken tot hem kwamen, die zeiden: Ja, dat is alles heel mooi, wat u daar vertelt, maar dat kan men toch ook in de kerk hooren. "Komen dan alle menschen in de kerk, wanneer u spreekt?' vroeg Steiner, en toen de geestelijken dit ontkennen moesten, zei hij: Welnu, voor die dan niet naar u komen luisteren, voor die spreek ik. Het ligt in het wezen der anthroposophie, dat ze geen proselieten maakt, de anthroposoof, die dit zou doen, zou den eersten grondregel der anthroposophie, de vrijheid, met voeten treden. De anthroposophie kan, als wetenschap, slechts zeggen: zoo ben ik. Ze zou ook op haar vruchten kunnen wijzen: op het gebied der paedagogie, der kunst, der geneeskunde, filosofie, astronomie, landbouw enz., en dan zich terugtrekken en het aan de toehoorders overlaten, wat ze er mee aanvangen. Zou men objectief zich tegenover deze vruchten stellen, dan zou, aldus eindigt dr. Fränkl, het met het Duitsche geestesleven beter gesteld zijn dan het op het oogenblik het geval is.

Ongelooflijk is het, maar waar, dat pardoes na deze ruime, rustige woorden er een jonge man op het podium trad, die nogmaals zijn belijdenis ten beste gaf. "Ik geloof in God", ving hij aan. "Menschenwijsheid is dwaasheid voor God. Wij wagen het niet met de wetenschap God te naderen. Een kerk met vrijheid is ondenkbaar, de kerk moet een doel hebben. De vrijheid kunnen we zelf niet naderen, ze is een genade. De toekomst van de menschheid is het niet, die op het spel staat, maar de eer Gods: de toekomst van de menschheid is de eer Gods, op de menschheid komt het niet aan." En hij eindigde: "Wij doen niets, Hij heeft het woord. Wij doen niets, wij zijn stof, Hij heeft het woord."

Het eenige verblijdende teeken bij dit betoog, waarbij men werkelijk, wanneer men den spreker zoo eens bekeek, denken moest: dat is nu het type mensch, waarop dr. Stelner altijd wees als op den mensch van heden, die zijn woorden alleen uit zijn hoofd haalt, de rest van zijn lichaam hangt er bij, het eenig verblijdend teeken was, dat heel de volle zaal onontkoombaar vergat, zich beleefd van teekenen van protest, te onthouden. Zelfs Doldinger zou niet de Doldinger van de geestige satyrieke blijspelen geweest zijn, als hij bij het ultimatum: op de menschheid komt het niet aan, niet even aan zijn tafel op het podium in een onbedaarlijk schudden was losgebroken.

Wat kan een mensch op zichzelf een weldaad zijn. Daar komt een eenvoudige, kleine, pezige man op het podium, zijn twinkelende oogen zagen ernstig op het publiek neer, zijn stem vibreert uit zijn hart: "Es tut so bitter Weh", klonkt het mannelijkbewogen, "dat men wanneer er iets nieuws opkomt, een groote stroom, in plaats dat eerst een rustig aan te hooren en aan te zien, begint met veroordeelen. Honderdduizenden zijn wegens het geloof op het schavot gebracht; uit Doldingers woorden hooren we voor het eerst van een kerk, die vrij laat» voor het eerst hooren we iets nieuws. Het lijkt me, dat we dr. Steiner dankbaar moeten zijn, we waren nog slechts haar en beenderen, thans kan zich de mensch op zijn oorsprong bezinnen. Als ik die heeren hier op het podium zoo eens aanzie, zijn blik monstert levendig even het viertal — dan moet ik toch zeggen: ze zien me er niet naar uit of ze hierheen zijn gekomen om ons iets op de mouw te spelden, wat ze zelf niet gelooven, Dit lijkt me juist het onderscheid tusschen Doldinger (naar dezen schijnt extra zijn sympathie uit te gaan) en de «knöchernen Herren", die we op het podium hebben zien verschijnen. Waar gaat het hier eigenlijk om? Oorspronkelijk hebben de menschen hun beste dochter geofferd, dan hun ossen, vervolgens hun veldvruchten, voortdurend wat minder, tot het een paar penningen waren. Nu komt Steiner en zegt: offert uzelf. Maar daarmee is 't gedaan met de offervaardigheid." Met schokken van z'n pezige schouders, weerde hij het daverend applaus af, waar tusschen door hij naar zijn plaats terugstevent.

Nadat o.a. nog een man van dit volk, dat door den oorlog is heengegaan, verklaard heeft, dat hij tot niets hoort, niet tot anthroposophie, niet tot Christengemeenschap, maar ook niet meer tot 'n kerk, sinds de oorlog juist bij Christenvolkeren is ontstaan, terwijl toen in elk tand de kerk de wapens zegende en de wapendragers zegende, zonder te vragen naar het "Ik heb uw vijanden lief"; terwijl hijzelf, die den oorlog heeft medegemaakt zich bewust is geworden, dat de oorlog een keerpunt hoort te beteekenen; nadat vervolgens nog de bezitter van een klein landgoed in de streek verteld heeft, hoe een wetenschappelijk man hem eens zeide: over anthroposophie kan men altijd strijden, maar wanneer men de resultaten aanziet, zwijgt de strijd; en hoe hij dan wil mededelen, dat zijn eigen velden, die hij thans vijf jaren naar de door dr. Steiner aangegeven methode bewerkt heeft, onnoemelijk verbeterd zijn; dat daar, waar het bloed over den bodem gevloeid heeft, thans planten verzorgd, menschen gevoed worden; dat hij voor zich tot de overtuiging is gekomen, dat de heerschende crisis door Rudolf Steiners werk overwonnen kan worden — na dit alles hebben ten slotte Schubert en Doldinger nog met een korte samenvatting den avond gesloten.

En in den auto naar Dornach terug heb ik tegen Schubert en de Fränkl gezegd «Also: degenen, die door anthroposophie overtuigd waren, zijn het nog heden, en degenen, die er niet door overtuigd waren, zijn het ook heden niet". Waarop zij toestemmend geknikt hebben.

Maar den volgenden morgen ben ik door iemand, die met zijn auto uit die streek kwam, anders ingelicht. De sprekers der anthroposofen en der Christengemeenschap moeten niet alleen door hun vanzelfsprekend, den tijden aangepast betoog, maar ook door de rustige zekerheid van hun houding en wezen zóó gewerkt hebben, dat velen tot elkaar gezegd hebben: daar zit iets achter, wat de moeite waard kan zijn. Nu, daar was het den sprekers slechts om te doen — om te zeggen: Die Anthroposophie ist da.

                                                                                                                                                                      Adelyde Content.

terug naar Artikelen