terug naar Artikelen
03.12.1929, Het Vaderland (In deze krant stonden woorden, die niet meer te lezen waren, daarom staat er af en toe het teken: "(…)" )
Egmont
__________
Goethe en Schiller
_____
De nationale geschiedenis een onvergankelijk deel van den ziele-inhoud
(Eigen brief.)
Dornach, November 1929
Onlangs vroeg me hier eens een jonge schilderes, met de spontaneiteit, waarmee zoo menig levendig anthroposoof soms loodrecht het wezen van den mensch, die tegenover hem komt te staan, omhoog lijkt te willen visschen: "Was sind Sie für ein Mensch, ein Goethe- oder ein Schiller-Mensch?" De vraagster bedoelde of de hoofdtrek van mijn aard het "Anschauen" oftewel het "Denken" is. Zij vertelde er nog bij, dat zijzelve heelemaal Schiller-mensch geboren was en dat het wetenschappelijke haar het makkelijkst lag, dat ze dan ook altijd gedacht had, in de eene of andere wetenschap door te studeeren. "En zie hier me al schilderend", zei ze, op de kleurige beelden rondom in haar atelier wijzend. "lk ben er namelijk toe gekomen, in te zien, dat ik heel iets anders noodig heb, dan wat me zoo makkelijk afgaat. Nadat ik gehoord en gelezen had, wat dr. Steiner over het leven met kleuren zegt, heb ik voor mij alle wetenschap over boord gegooid en ben schilderes geworden. Van nature heb ik in 't geheel geen verbinding met "de kleur", maar ik heb me tot taak gezet, te zien en me in te leven in de kleur. En —" ze wipte op om uit een ingebouwde bergplaats in de houten wanden van het atelier een kleine map met foto's te voorschijn te halen — "ik zal eens laten zien, wat voor een melancholieke zuurpruim ik vroeger was. Daar heb ik nu toch niets meer van, hé? Het is waarachtig waar: sinds ik m'n wil opgepord heb om bewust kleuren te ondergaan, ben ik als mensch herboren, heelemaal opgefrischt. Als je als Schiller-mens geboren bent, zul je je omwerken tot Goethe-mensch,"
Aan dit gesprek moet ik denken, nu ik door de allervreemdste sensatie, van in een Zwitserschen schouwburg in de Duitsche taal den oer-Duitscher Goethe over de ingrijpendste periode onzer Nederlandsche geschiedenis gehoord te hebben, niet kon nalaten, me te oriënteeren, hoe het aandoet, wanneer je direct daarna Schiller op hetzelfde punt naslaat. Merkwaardig is het, dat onze geboorte als vrije natie de beide grootste dichters van Duitschland getroffen en geïnspireerd heeft: den een, den "Denker", tot bronnenstudie, den ander, den "Anschauer", tot imaginatie. Welke imaginatie Goethe dan den dramatischen vorm van den "Egmont" goot: welke bronnenstudie Schiller verwerkte tot zijn "Geschichte des Abfalls der vereinigten Niederlände".
De schilderes hierboven, noch schrijfster dezes bedoelen met Schillers Denken een dor, dood denken zonder éénige imaginalieve kracht; bedoelen ook niet met Goethes Anschauen een louter fenomenen-zien, zonder ze denkend te verbinden. Maar vast staat, dat we aan Schillers studie ongetwijfeld meer houvast hebben, wanneer we uit een, door de rede combineeren der stukken, die ons overgeleverd zijn, de waarheid onzer geschiedenis verlangen. Wie zal intusschen zeggen – en nu kom ik met een voor de bij de documenten zwerende historici wanhopig-domme vraag – wat Goehte in zijn vrij imagineeren over dezelfde stof hier en daar aan waarheid opgevangen heeft, wat in documenten nooit was opgeteekend of – misschien – als document voor het nageslacht vernietigd werd?
Hoe het zij, in den Bazelschen schouwburg heb ik er niet over gedacht, of het allemaal wel precies zoo gebeurd is, als Goethe het ons daar liet zien. Ik erken, dat het (…) zelfs op dat oogenblik heelemaal niet interesseerde, wat de finesses onzer geschiedenis zijn. Ik wist alleen, dat ik misschien nog nooit zoo ontroerd in een schouwburg gezeten heb als dezen avond in het Bazelsche Stadttheater bij dezen greep uit onze geschiedenis. Ik wil nog iets erkennen, nl. dat ik niet over-nationaal ben. Gelukkig, voeg ik toe, en ik herinner er den welwillenden lezer aan, hoe ik in m'n brieven uit Dornach wel eens heb trachten aan te toonen, dat nationaal chauvinisme in onze tijd niet meer thuis kan hooren. Dit chauvinisme is op z'n plaats, dus goed geweest, in den tijd, toen staten zich nog aan het vormen waren. De 15de, 16de, 17de eeuw waren de uitgelezen tijd voor nationale helden. Thans kan het kweeken van nationaal chauvinisme door zich af te scheiden in zijn nationaliteit, er slechts toe leiden, dat de nationale tegenstellingen versterkt worden en de leus van een Volkerenbond in plaats van een volkeren-oorlog steeds meer tot parodie wordt.
Maar met dit al beken ik gaarne voluit, dat ik dien avond in dien schouwburg me (…) nationaal heb gevoeld. En dat ik meteen (…) wist, dat het een veeg en loos teeken (…is?...), wanneer men "ter bevordering der vredes (…) den kleinen jongen zijn soldaatjes, den schooljongen zijn geschiedenishelden ontneemt. De menschheid heeft een lange ontwikkeling achter zich, de stadia liggen nog (…) zoo heel ver terug, dat ze in haar hoofdelementen uit strijdbare ridders, vervolgens uit nationale krijgers bestond. Het kind, dat in den tegenwoordigen tijd tot mensch rijpt, maakt natuurlijkerwijze de ontwikkeling der vroegere geschlachten in een snel verloop nogmaals door. De gezonde vierjarige boy, die met lust een heel regiement huzaren voor de vlakte schiet en dan kraaiend nog eens met z'n knuistjes over ze heen boemt, kan een zeer wijze vredesrechter worden met een gevoelige, meetrillende snaar voor de gemoedsberoeringen van alle voor hem verschijnende partijen. Maar zeker heeft deze vredesrechter tien jaren na zijn soldatenmoorden in gloed gestaan voor de helden van zijn eigen natie. Want het behoorde tot zijn normale ontwikkeling van menschelijk individu, ook dit stadium de nationaliteitenontwikkeling door te maken. Een knaap, die het gloeien bij de hoogtepunten in zijn vaderlandsche geschiedenis niet gekend heeft, heeft daarmede een gebrek in zijn gevoelsleven in het algemeen getoond, dat zich later preciseeren en uitspreken zal.
Dat het eens, op een bepaalden leeftijd, in zich opgenomen hebben van het bezit aan nationale geschiedenis van zijn volk, een onvergankelijk deel wordt van iemands ziele-inhoud, heb ik daar in Bazel aan den lijve ondervonden. De proef heb ik aan mezelve bewezen gevoeld, dat bij het schoolkind de heldengeschiedenis van zijn vaderland voor eeuwig een beroep heeft gedaan op de veerkracht zijner ziel. Ik weet dan ook heel zeker, dat geen sterveling in den vollen schouwburg dien avond zooveel innerlijke toestanden heeft doorgemaakt als ik. Nederlandsche – tenzij er meer Nederlanders in de zaal gezeten hebben. Het eerste oogenblik was het vreemd, oude Hollanders, zij het dan Brusselaars, in een oud-Hollandsche omgeving en kleedij, in het Duitsch over hun Egmond en hun rechten te hooren. Als daar zoo'n oude Hollander het heeft over "Philipp den Zweiten, König in Spanien" en zijn vrienden verklaart: "Er ist kein Herr für uns Niederländer", geloof je nog niet erg in de situatie.
Maar langzamerhand hoor je de taal niet meer. Je groeit in de situatie in. En of het waar is, dat Egmond zóó'n jonge, schitterende, in lengte en pracht heel zijn omgeving overschaduwende ridder van het gulden vlies geweest is, als ons Hermann Walling wist te bieden, deert je niet – je bent blij, als je "Graf Egmont", van wien al zooveel te hooren is geweest, ziet verschijnen. Het doet je hart goed, het ééne deel van "de graven van Egmond en Hoorne" in levenden lijve voor je te zien. En als na Egmonds gesprek met zijn secretaris de deur opengaat en aangekondigd wordt: "Oranien" – dan beeft er in een buitenlandschen schouwburg geen hart zooals een Hollandsch. En wanneer Oranje dan verschijnt, - een vader schijnbaar in jaren, evenwicht en postuur tegenover den zwierige Egmond – dan staat daar voor den Hollander de oervader van heel zijn vaderland, de wijze Zwijger. En zij, die zoo goed den afloop der zaken kennen, begrijpen niet, dat tegenover dèze wijsheid en bezadigsheid Egmond zijn roekeloosheid niet overwonnen voelt.
Egmond blijft star in zijn vertrouwen, dat zijn laatsten grond steeds vindt in het vertrouwen op zijn privilegiën als ridder van het gulden vlies. Roerend, wanneer alle redeneeren vergeefsch is geweest, het afscheid der beiden: "Hoe nu? Tranen, Oranje"? "Een verlorene te beweenen, is ook manlijk."
Een ander soort beven wederom beleeft het Hollandsch hart, als daar in dat interieur van het paleis te Brussel, dat Alva betrokken heeft – welk interieur schoon in donkerrood, bloedrood, gehouden was, een geweldig zilveren kruis in het front tegen dien donkeren achtergrond – Alva binnentreedt. En … zijn listig gesprek met Egmond voert, beiden staande ter weerszijde van het kruis, Alvas in een puntbaard zich schuins toespitsend profiel scherp zich tegen den loodrechten en den horizontalen arm van 't kruis afteekenend. En het is of alle tragiek, die menschenlevens ooit doorleden hebben, hier om dit kruis zich tezamen hoopt, wanneer we Egmond hooren zeggen: "Lebt wohl! Entlasst mich: denn ich wüsste bei Gott nicht mehr zu sagen", en men de deur in den achtergrond ziet opengaan en een gewapende macht zichtbaar wordt.
Nenne mir, Muse, die Zeit, da ich Goethes Egmont gelesen. – Het moet bepaald lang geleden zijn, in m'n sentimenteele jaren. Want de tragiek van Klaartje was me van toen af het sterkst bijgebleven. Ik was nog in m'n land zelf en stond ook waarschijnlijk nog te dicht bij m'n geschiedenislessen om objectief, als van buitenaf, uit het groote Leven vandaan, het drama van Egmond te overzien. Toch is het opmerkelijk voor den dichter Goethe, dat hij met heele gedeelten blijkbaar zóó raak getroffen moet hebben, dat ze me haast woordelijk waren bijgebleven en ik ze ongeschonden door de jaren en de landen heen bleek meegedragen te hebben. Zóó treft alleen de groote dichter, die zijn imaginaties omlaag slingert als Zeus zijn bliksems.
Van den denker en bronnenpublicist Schiller moet ik in dit geval – hoe hoog ik zijn eigen drama's ook aansla – erkennen, dat mij niets was bijgebleven. Misschien omdat de zaak zelf met als bronnenstudies reeds overbekend was? Toch is het me thans, op dezen ruimtelijken en tijdelijken afstand, interessant, een buitenlander onze aangelegenheden te horen verhalen en er zijn oordeel over te vernemen. Hoor reeds zijn aanvang: "Eine der merkwürdigsten Staatsbegebenheiten, die das sechszehnte Jahrhundert zum glänzendsten der Welt gemacht haben, dünkt mir die Gründung der niederländischen Freiheit. Wenn die schimmernden Taten der Ruhmsucht und einer verderblichen Herrschbegierde auf unsere Bewunderung Anspruch machen, wie vielmehr eine Begebenheit, wo die bedrängte Menschheit um ihre edelsten Rechte ringt, wo mit der guten Sache ungewöhnliche Kräfte sich paaren und die Hilfsmittel entschlossener Verzweiflung über die furchtbaren Künste der Tyrannei in ungleichem Wettkampf siegen."
En dan hoore men, wat hij in een voorrede vooraf liet gaan: "Als ich vor einigen Jahren die Geschichte der niederländischen Revolution unter Philppp II in Watsons vortrefflicher Beschreibung las, fühlte ich mich dadurch in eine Begeisterung gesetzt, zu welcher Staatsaktionen nur selten erbeben."
Begeisterung(?) met geboeide belangstelling van begin tot eind heb ik het meesterlijk-beheerscht relaas van den Duitschen dichter-philosoof over onze vrijheidsstrijd doorgelezen.
Met Begeisterung heb ik in den schouwburg gezeten bij den éénen machtigen greep in het uitgebreid materiaal door den Duitschen dichter-bij-genade. Schiller heeft naar alle waarschijnlijkheid veel meer, ja volkomen gelijk als hij met den glans van Egmond, diens fouten schildert – Goethe heeft bepaald in historischen zin ongelijk, zooals hij hem als ritter-zonder-blaam-en-vrees voorstelt. Maar als dichter is het gelijk en het recht aan Goethes kant: den éénen held, dien hij uit alle helden van dien tijd tevoorschijn trok, als den held der helden te zien.
Zoo ook heeft Schiller mijn onbeperkt vertrouwen, wanneer hij me inlicht over Egmonds huwelijk met hertogin Sabina van Beieren en over een gelukkig nageslacht van negen kinderen. Desniettemin zal geen sterveling Goethe of Egmond zijn Klaartje misgunnen, ja haar missen willen op het tooneel. "Egmonds gemalin, een geboren hertogin van Beieren", vertelt ons Schiller, "wendde zich met vezoekschriften tot de Duitsche rijksvorsten, tot den keizer, den koning van Spanje…" Onvergetelijk is me het nachtelijk "tooneel" tusschen de hooge, spaarzaam verlichte huizen te Brussel, waar terwijl een enkele burger angstig een enkelen anderen voorbij sluipt, haast zonder groet – Alva's wachten loeren – onbekommerd om gevaar, Klaartje rondloopt en rondroept, rondroept den verboden naam: "…Hört, Freunde! Nachbarn, hört! Sagt wie ist es mit Egmont?" En de burgers bezweert, ter bevrijding op te trekken naar den kerker – Egmonds burgers, die onder haar jammerroep in den stillen nacht wegvluchten in hun huizen: "Könnt ihr nicht missverstehn? Vom Grafen sprech ich. Ich spreche von Egmont!" …
Hoe komt het, dat in Nederland, bij gebrek aan een eigen klassiek drama uit onzen vrijheidsstrijd, Goethes drama niet eens op de planken komt?[1] De laatste woorden van Egmond in den kerker, terwijl de hem voor het schavot opeischende Spaansche wacht reeds op den achtergrond zichtbaar is, zijn niet een slot, zijn de overgang tot een onvergankelijk herinneringsbeeld.
Adelyde Content
[1] Kort geleden heeft de AVRO het drama uitgezonden, maar …. – Red.
terug naar Artikelen