terug naar Artikelen
28. januari 1930, Het Vaderland
Uit Dornach
_______
Lörrach im Wiesental
____
Anthroposophische Vereeniging – Christengemeenschap
(Eigen Brief) I
Actueel en aansluitend aan wat ik in mijn 8 Januari geplaatsten brief schreef over al of niet mèèr begrip voor het wezen van de anthroposophie dan ten tijde dat, zeven jaren geleden, het vuur gelegd werd in een kunstwerk, waar Rudolf Steiner en een 1500 medewerkers bijkans 10 jaren aan gearbeid hadden — actueel aansluitend en toelichtend was een gebeurtenis, die ik dezer dagen meemaakte. Op een donkeren avond werd me gevraagd, of ik meereed naar een lezing met gelegenheid tot discussie in het Schwarzwaldstadje Lörrach, even over de Duitsche grens. Lörrach im Wiesental hoort men dit Badensche plaatsje meest noemen ter onderscheiding van een ander stadje van dien naam is dit noodig, wordt me verzekerd, als ik me over die breedsprakigheid verwonder. Poëtisch klinkt het zeker. Stel u voor, dat een Nederlander het in de omgangstaal over Valkenburg in het Maasdal had!
Vele jaren reeds heeft Lörrach im Wiesental een anthroposophische vereeniging. De eigen sprekers daar noodigen ook dikwijls Dornachsche coryphaeën uit om er in hun midden of in het openbaar een rede te houden.
Ook een afdeeling van de Christengemeenschap is in Lörrach gevestigd. Wat is het verband tusschen deze gemeenschap en de Anthroposophische Vereeniging? Alle beroepen, alle wetenschappen, alle kunsten waren door de jaren heen naar dr. Steiner gekomen en hadden een nieuwen, frisschen geest op hun gebied gevraagd, gezocht, gevonden. Met dien nieuwen geest was niet alleen de denker, de Grübler in den mensch bevredigd, ook zijn wil had een gebied en een richting gevonden; zoo ook zijn gevoelsleven, zijn zielsbehoeften. Met deze bevrediging van den algeheelen mensch was het Grüblen meteen opgeheven, de weg van 't zuiver denken, het doelbewuste willen, het harmonisch, door den geest gedragen voelen, lag open. Voor de loutering dier drie factoren in den mensen hadden wetenschap, kunst, religie de langzaam opgekomen sterke afgrenzingen verloren; de mensch had, tot zijn eigen verwonderde voldoening, de belangstelling voor alle drie in eens hervonden.
Steiner als wegwijzer
Wanneer Steiner een onderwerp behandelde, onverschillig wat, was in den toehoorder de wetenschapsman, de kunstenaar, de godzoeker voldaan. Ja, ook de godzoeker in de mensch. Doordat Steiner alles terug wist te voeren in het licht van zijn eeuwigen oorsprong, vond de religieuze behoefte voortdurend haar antwoord. Meer nog. Niet alleen voerde Steiner de aardsche verschijnselen omhoog in een geestelijk licht, hij wees zonder ophouden den mensch van onzen tijd, hoe de weg in die geestelijke werelden omhoog gegaan kon worden. Men zie zijn: "Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?" – een uit een eindelooze rij. Hij toonde den mensch, hoe dit een versterken van zijn denken, uit het versterken van zijn Ik-persoonlijkheid, de verbinding met de, uit het bewustzijn der menschheid reeds verdwijnende, geestelijke wereld weer tot stand te brengen was: de weg van het innerlijkste Ik van den mensch tot het zelf volbrengen, der heilige gemeenschap, der heilige communie.
Ieder, die om zich heen kijkt met een ook maar eenigszins prychologischen blik, kan niet anders dan opmerken, hoe alle exemplaren van het menschdom, welke die blik treft, verschillen vertoonen in hun ontwikkelingtrap van menschelijk individu. Niet allen maken in hetzelfde tempo den gang van de menscheidsevolutie mede. Steiner heeft echter steeds er den nadruk op gelegd, dat hetgeen hij in dezen tijd uitsprak en aanwees, de weg was, dien de menschheid van thans had te gaan. Het klinkt voor hem, die van Steiners werk niet op de hoogte is, laat staan hem heeft bijgewoond, vanzelf eigengerechtigd, wat ik nu moet uitspreken: Rudolf Steiner kon er in de verste verte niet aan denken, het met andere z.g. richtingen of systemen op een accoordje te gooien. Hij verklaarde: wat ik zeg, is waar of niet waar, een middenweg bestaat niet; wanneer de weg, dien ik aanwijs, de ware weg is voor het tegenwoordig geslacht, is een andere weg niet de weg van thans.
Talloos velen hebben Steiners weg als hun weg erkend en er de oplossing voor dit hun aardeleven in gevonden. Het waren in de eerste plaats zij, die, als volkomen moderne, Westersche menschen, met een zuiver verstandsdenken waren begaafd, maar daarnaast dan een gezond en zuiver voelen hadden weten te bewaren. De meeste moeite hadden zij, wier verstandsdenken, dat tot de Westersche ontwikkeling behoorde, reeds —over het culminatiepunt was heengezworven langs de wegen van verstarring óf van raffinement. Want hier was dan zelfherkenning noodig en een bevrijdende stap uit datgene, waarin men reed, verward — en dus verblind — zat. Onvermoeid echter bleef Steiner in het aantoonen hoe, wanneer men aan onze universiteiten elke wetenschap consequent ten einde dacht — door middel van het zuivere, logische denken — elke wetenschap zou moeten uitmonden in Geisteswissenschaft, in anthroposophie. Onvermoeid ook was hij In het aantoonen van telken, weer andere punten, waar de logica de moderne wetenschap in den steek had gelaten, waardoor ze naar een zijpad was afgebogen, dat doodliep. Hij erkende de geweldige verdiensten der wetenschap — en niemand kon dat overtuigder doen dan deze denker, die zlch tot op den laatsten dag op zijn ziekbed elk nieuw verschenen werk op eenig gebied liet brengen. Maar zakelijk bleef hij voor elke wetenschap het doode punt aanwijzen, waar ze overheen moest komen.
Het natuurwetenschappelijk denken der laatste decennia van de vorige en der eerste van deze eeuw blies niet alleen over den professor en den student den gevaarlijken doodsadem der verstarring en der raffinementsdecadentie. Het is steeds zoo geweest, dat een geesteshouding der menscheid van de hoogste instantie af omlaag zonk door alle trappen der individuen. Heel de cultuur is van de natuurwetenschappelijke denkwijze der geleerden doordrenkt geraakt tot het schoolkind toe neemt onbewust in het onderwijs de moderne geesteshouding aan. Zijn onderwijzer, gevormd door den Staat, is er zelfs op geëxamineerd of hij wel genoeg doordrongen is van de meeningen, die de Staat als de modernste erkent.
Toen op de mare van Steiners dood alle treinen uit alle landen stroomen menschen brachten; toen ik dagenlang onafgebroken drommen, tot in hun merg getroffenen langs het doodsbed van hun grooten leermeester zag gaan, die daar lag In zijn atelier, zooals hij gestorven was: aan den voet van den machtigen, door hem geschapen Christus met den hoog en geweldig manenden arm —, toen heb ik tegen iemand gezegd: Men kan niet zeggen, dat hij bij zijn leven geen erkenning van zijn wezen gevonden heeft. Ik kreeg ten antwoord: wat beteekenen duizenden, waar het een menschdom van millioenen gold?
In elk geval is bij Steiners dood en vooral daarna gebleken, dat er nog eindeloos vele menschen op de aarde zijn, die te midden van een al te materialistisch georiënteerde cultuur zich van een onherroepelijke verstarring hebben weten vrij te houden. Voor deze velen, die zich, al was het maar de mogelijkheid van een bewegelijken geest, bewaard hadden, heeft Steiners woord, ook toen het nog slecht, in afschrift werd nagelaten, een wegwijzer van een gevaarlijke helling naar een stevig bergpad beteekend. Voor dezen, met hun als gave van een eeuwenlange Europeesche ontwikkeling klare hersens, met hun, door de bewegelijkheid van hun geest, gezond voelen, beteekende Steiners weg den weg van hun tijd.
Het inelligente Ik
Maar we duidden het reeds aan: de ontwikkeling kent zoovele sprongen, zoovele grenzen ook, dat hier zeer zeker de uitzonderingen die den regel bevestigen, niet ontbreken. Er zijn menschen, die door geheel hun aanleg niet in staat zijn Steiner te volgen. De grens is hier niet alleen de verstandelijk ontwikkeling. Toen ik voor het eerst eens in een Duitsche stad een cyclus lezingen bijwoonde, zooals Steiner die dan hier, dan daar, gaf, zaten aan mijn tafel in het restaurant op een keer o.a. een naaister, een kamenier, en een welgedane huismoeder.
Verwonderd over de begrijpende wijze, waarop ze over de juist gehoorde lezing spraken, fluisterde ik tot een Nederlander, die er door ervaring van meer jaren dan de mijne ook meer van moest weten: "Mijn naaister zou beslist al lang boven haar hoofddeksel gegrepen hebben, zijn dergelijke kringen in Duitschland allemaal zoo ontwikkeld?" De ervaring van den Nederlander maakte me wijzer: "Denk eens, wat een ontwikkeling deze menschen al jarenlang bij Steiner hebben doorgemaakt! Er is geen onderwerp of hij komt er op en zet het ze haarfijn en tegelijk met breeden zwaai uiteen. Ze leeren het denken van hem, terwijl ze hem in zijn gedachtengang volgen."
Door de jaren heen is me de grens duidelijk geworden. De grens zit 'm in de intelligentie. Intelligentie echter is de eigenschap van het intelligente Ik. Het intelligente Ik is gebaseerd op een krachtig denken gepaard aan een krachtig Ik. Beter nog: op een denken krachtens een Ik. De ontwik- keling van 's menschen Ik is voorwaarde voor het denken. Het kind, dat nog niet "ik" tot zichzelve zegt, werkt met alle vermogens, behalve met het denken. Bij den krankzinnige ontbreekt de logische gedachtegang, omdat het verband met zijn Ik verbroken is. Met de ontwikkeling van het Ik in de menschheid is het denken hand in hand gegaan. Intelligent is de mensch die krachtens een goed ontwikkeld Ik een hanteerbaar denken bezit, dat tusschen de dingen door kan lezen. Niet van een voorafgaande schoolsche ontwikkeling hangt het af — zoo bleek me langzamerhand — of men Steiner in zijn levendige gedachtengangen volgen kan, maar van de gesteldheid van het Ik van den onderhavige. Gebrekkige schoolsche ontwikkeling is in te halen.
Ik houd van voorbeelden: kort voor den brand stond ik eens op het terras van het eerste Goetheanum, juist boven de poort, waar de titel van een door Steiner te houden reeks lezingen stond aangeslagen. Een landelijk paar, dat van een gezelschap kwam, dat juist het Goetheanum bezichtigd had, hield voor het plakkaat stil. D.w.z. de man stond stil, de vrouw trachtte hem verder te krijgen. Hardop spelde hij, met moeite, den veel beteekenenden titel. De vrouw trok hem aan z'n jas. Maar de man was nog niet uitgespeld Over Naturwissenschaft en Uebersinnlichkeit... Toen hij peinzend het laatste woord had uitgespeld, sleepte de ega hem triomfantelijk voort: "Na. Lueg, ichah der scho immer g'sait, de, lsch nur für gelaerte Lüt." (Zie je, ik heb je toch altijd gezegd, dat dat enkel voor geleerde lui is). De zware stappen van den landman dreunden langzaam over den steenigen bodem, al, van iemand in moeizaam gepeins. De vrouw liet hij de vrouw en haar woorden haar woorden. En der onwillekeurige toeschouwster op het terras liet hij de overtuiging: Zij nooit, maar hij zou óók onder de "gelaerte Lüt " kunnen zitten luisteren... als z'n ega hem niet voorttrok...
En vanmiddag: op een vijfsprong op de helling passeerde ik een stoppenden auto, waaruit een dikke roode automobilist stapte, die me in een mengsel van Fransch, Itallaansch en Duitsch vroeg, terwijl hij op den Bau op den top wees: "Is dat een museum, het Goetheanum?"In mijn verbouwe- reerdheid van daar maar opeens een oord ter verlevendiging van de heele tegenwoordige cultuur een museum te hooren, betitelen vond ik alleen maar als antwoord een zeer bepaald : "Integendeel". Van welke reactie den vreemdeling de zin ontgaan moest. Na een schuwen blik op de sphinx van het "Integendeel" vroeg hij aarzelend: "Wat is het dan?" "Eine Hochschule". De onthutsing leek nu aan den kant van den vreemdeling te zijn: "O, zoo... een hoogeschool... Is die te bezichtigen?" "Ja zeker". Maar de man monsterde den weg: "Kan men met den wagen omhoog?" "Er gaan dagelijks vele auto's ook langs dezen weg". De reiziger keek naar zijn wagen en nog eens, hoofdschuddend, naar den weg omhoog: "Ik geloof, dat hij moeilijk en steil is...."
Mijn verdere informatie heb ik hem stilzwijgend gegeven, terwijl ik verder ging: Zoolang iemand z'n wagen wenscht te sparen en tegen de moeilijkheden van den weg opziet, komt hij " zeker niet boven. Alleen een Ik door-dik-en-dun kan voerman zijn.
Een cultus voor onzen tijd.
Het heeft den schijn, alsof ik ben afgedwaald. Maar "integendeel". Ik ben nu precies, waar ik zijn wilde, nl. op het punt, van waaruit ik, volgens mijn beste weten, een verklaring kan geven van het verband en tegelijk het onderscheid van anthroposophie en Christengemeenschap. Zooals alle categorieën van menschen, zoo waren op een goeden dag ook een groot aantal jonge theologen tot Steiner gekomen, welke het ambt van zielverzorger, in al zijn ernst namen en juist daardoor verklaren moesten: dat, wat we aan de universiteiten krijgen, voldoet ons niet meer, dit is niet het Christendom, dat we zoeken. Ge hebt de wetenschap, ge hebt de kunst aan de innerlijke eischen van de tegenwoordige menschheid aangepast —we vragen u hetzelfde voor de religie.
Slechts waar gevraagd werd (de vraag kon ook onuitgesproken, maar brandend in de ziel liggen), gaf Steiner. Aan deze vraag is een Christengemeenschap te danken, waardoor ook zij, die door hun aanleg het directe verband met de anthroposophie niet vinden kunnen en toch een religieuzen drang hebben tot het in geestelijken zin verstaan van de teekenen des tijds, in een gemeenschap vereenigd kunnen zijn, waar ze door middel van anthroposophisch georiënteerde priesters het verband vinden met den vernieuwden geestelijken stroom, waaraan Steiners levenswerk is gewijd geweest.
In de anthroposophie gaf dr. Steiner een weg, waardoor de, bewust of onbewust Westersch wetenschappelijk aangelegde mensch, met zijn wetenschap, den weg terugvond in geestelijke werelden. Waardoor hij zijn, in eeuwen van afgeslotenheid verworven kennis der aarde, omhoog draagt in geestelijk bereik. In den dienst der Christengemeenschap gaf hij den theologen -— aangezien, naar hij zeide, niet alleen de aarde eeuwig verandert, maar ook, en eerst recht, de geestelijke wereld geen stilstand kent — een cultus, waarin in onzen tijd het rijk des Geestes in doop- en andere sacramenten de aarde weer kan naderen.
Binnen enkele dagen voortzetting - redactore volente…
Adelyde Content
terug naar Artikelen