terug naar Artikelen
27.08.1931, Het Vaderland
Lebenswende, van Albert Steffen.
Verlag für Schöne Wissenschaften, Dornach und Stuttgart, 1931.
Een klein, fijn boekje is het laatstverschenen werkje van Steffen: Lebenswende, "Novellen", staat er verder op het titelblad aangeduid. Men neme deze aanwijzing in vollen ernst. Men verwachte hier niet, zooals dat onder den naam novellen zoo dikwijls voorkomt, eenvoudig alles bijeengebundeld wat de lengte van een roman niet haalt en die van een anecdote overschrijdt. Een novelle is in waarheid niet een uitgebreide anecdote noch een amechtig romannetje. Een novelle is een in zijn hoofdpunten opgevangen en aangestipte roman, het schema van een roman. De novelle is de roman tout court, zonder details. Bij de ware novelle schemert de bewogen achtergrond achter het kort bestek, dat de schrijver ons biedt heeft men de gewaarwording: daar liggen werelden achter.
Novellen in vollen ernst zijn deze kleinoodiën van Albert Steffen, welke gezamenlijk onder den sprekenden titel van één der onderhavige Geschwister verschenen zijn. Werelden, bewogen werelden liggen àchter elk dezer diepflonkerende kleinoodien.
De novellist moet een levensfilosoof zijn, een wijze. Want het is des wijzen, hoorbaar te zijn met zijn woorden, terwijl de kostbare gedachten, die daarachter spelen, op raadselachtige wijze toch den fijn-ontvankelijke bereiken. De stijl van Steffen is bij uitstek de stijl van den novellist: het kort, beheerscht typeeren, dat een beheerscht denken tot oorsprongsvoorwaarde heeft. Men hoore terstond reeds den aanvang van de eerste novelle, Rosenkreuzernovelle getiteld:
" Der Schüler erzählte. Ich wurde Diener bei einem Lehrer, der eine längst verlassene Kapelle auf dem Inselchen eines runden Sees zu seiner Wohnstätte eingerichtet hatte. Die Ehrfurcht, die ich von dem ersten Tage an, da ich ihn gesehen, empfand, war so mächtig, dass ich nicht wagte, ihn zu fragen, ob ich sein Schüler werden dürfte. Neid gegen andere, die es schon waren, hegte ich nicht. «Wenn ich reif bin", dachte ich, "wird mir zu teil, was ich verdiene. Vorerst ist es Glück genug, Arbeit zu tun".
Men hoore ook hoe in Hans Holbeins "Letztes Bild" met karige woorden, in enkele lijnen geschetst staan: "wie das Mittelalter unterging und die Neuzeit emporstieg": Gemeinschaften, die bisher von himmlischen Lehren, an denen sie mit gläubigen Herzen hingen, regiert wurden. zerteilten sich in Persönlichkeiten, von denen jede ihre eigenen Wege ging. Der Mensch wurde Entdecker irdischer Gesetze. Er weitete seine Sinne und engte seine Seele."
Hoe kort, maar door liefdevol inleven scherp. Hans Holbein getypeerd als doorschouwer en bebeerscher van dien wereldovergang: "Wie schritt der junge Holbein so eigenmachtig und selbstherrlich durch die Gassen Basels. Der Mantel hing ihm weltmännisch um seine Schultern, selbst dann, wenn, die Geldtasche so schmal war, dass er gezwungen war Wirtshausschilder in den umliegenden Ortschaften zu verfertigen"; hij wordt ons geschilderd, zittend op zijn stellage voor de herbergen, de verf neerstrijkend, terwijl zijn beenen heen en weer bengelen, de wind, welke den adem van een nieuwen tijd aankondigt, over zijn bloote borst vaagt.
Van zijn hooge zitplaats overziet hij de burgerij in haar woelig alledagsleven. Maar ook ziet hij die burgerij, wanneer ze "durch das Spitsbogentor in das Kirchlein strömte und drinnen. Kopf an Kopf, mit gefalteten Händen, kniete." En dan de kenschets van den kunstenaar, die als voorlooper der menschbeid, van de oude levenshouding bevrijd, de nieuwe zoekt: "Das Schwanken zwischen Sündenangst... und Lebensgier war Holbein fremd geworden; Ihm, auf seinem Brette, kam es darauf an, das Gleichgewicht zu halten."
Krachtiger dan door de feitenopsomming van den geschiedkundige stelt zich het beeld der historische tijdperken door den novellist voor ons geestesoog. Juist door het bovenbedoeld typeerend vermogen van dezen laatste, die werelden op den achtergrond houdt. Het beeld dier werelden drukt zich door middel van dat brandpunt der stralen, dat het flonkerend kleinood der novelle is, in onzen geest af.
Al geeft echter de novellist slechts schema's, al prijst hij slechts momenten uit historische tijdperken, daarmee is niet gezegd, dat hij het zichzelven gemakkelijk maakt. De zaak wordt geïllustreerd door het geval van den correspondent, die zijn vriend schreef: Daar me de tijd ontbreekt om je een korten brief te schrijven, schrijf ik een langen. De dichter-novellist der historie bestudeert werken en gegevens zoo goed als de prozaïst-historieschrijver. Steffen geeft aan het slot van het bundeltje zelfs de bronnen, waaraan hij "Dokumentarisches" dankt. Maar de prozaïsthistorieschrijver schrijft neer wat hij weet, schrijft zich uit. Het afwegen en schatten der waarden wordt in laatste instantie den lezer te doen gegeven, precies als den ontvanger van den langen, "uitgeschreven" brief. De dichter-novellist verbindt zich met de stof, draagt haar omhoog en omvat haar met zijn visie. En op de wijze van den wijze draagt hij de karakteristieke lijnen van zijn visie terug naar omlaag: hij karakteriseert. Hij doet het werk voor den lezer — gelijk de schrijver van den "korten brief". —
Er bestaan schoone spreuken, welke bedoelen uit te drukken, dat bestudeering van de geschiedenis leidt tot het verslaan van het heden. Is het waarlijk zoo, dat historici het gevaar van zich in de oude, zich ontsluierende landen te verliezen, ontkomen en met hun vondsten doorstooten naar het nieuwe land? Wordt de kennis van het oude oirbaar (=bruikbaar) gemaakt aan het nieuwe?
Die novellen in dezen bundel, welke op historie berusten, doen dit wel. Men voelt hier het streven historie te verstaan als een worsteling van den éénen, eeuwigen Geest: door diepten en duisternissen omboog naar het Licht. Historie is de stroom, welke uit het verleden aanzwelt en in bonte schakeering voorbij stroomt, de toekomst in. Men voelt bij Steffen het streven, uit den historischen stroom den Geest te herkennen en hem te redden voor het heden. Het is de zielehouding van den dokter Lukas, zooals Steffen die ten opzichte van Holbeins figuren typeert: "Es kam ihm nämlich immer vor, als müsste er die Menschen, die Holbein abgebildet hatte, um sich versammeln und aus der Vergangenheit in die Gegenwart führen.
Slechts uit het verstaan van het voorbije kan de impuls tot omzetting en overleiden naar de toekomst geboren worden. Wanneer men Steffens schildering van Hans Holbeins gedachten, die tot het eerste ontwerp van den Doodendans voerden, leest, voelt men, dat hij, als de arts Lukas, aan het inzicht in den geschiedkundigen ommekeer dier tijden in de beelden van dood en duivel dier tijden, de kracht ontleent tot het tot nieuw leven wekken in den huidigen tijdsommekeer. Men hoore het slot van Holbeins gedachten, als hij, voor den Bazelschen Münster staande, tot de conclusie is gekomen, dat de negen hemelbewonende hiërarchieën door een tiende moesten worden aangevuld: "Das konnte nur der Mensch sein, der frei auf sich selber beruhte. — Ich, Hans Holbein, sagte der Maler, will die neue Menschheit vorbilden. Die alte muss durch den Tod hindurch. Sie verdient nicht mehr den Goldgrund und das blaue Faltenkleid. Sie soll eine andere Haltung und Gebärde bekommen. Bodenständig hingestelt, jeder an seinen Ort, in sein Amt und seinen Beruf. Bäcker, Metzger, Soldat, Pfaff und Fürst, jeder umgeben von seiner Welt. Von nun an tragt die Braut nicht mehr einen Schleier, sondern einen Kranz. Der Bürger nicht mehr lange Haare und gestutzten Bart, sondern umgekehrt: Bart lang, Haare gestutzt. Und die Madonna bekommt die Züge der eigenen Frau. Ist das unfromm? Nun, der Engel Gabriel lehrt es ja. — Und er entwarf das erste Bild zum Totentanz.
Maar niet alleen van menschen en tijdperken uit het verleden geeft Steffen in deze novellen zijn visionaire karakteristieken. Menschen en hun toestanden, zooals ze alleen maar in het heden mogelijk zijn, worden eveneens in zijn visie opgenomen. Degenen, die Steffens drama's kennen, weten hoe hij de geestelijke beelden, die àchter de hedendaagsche verschijnselen spelen, weet te imagineeren en weer te geven. In de hier bedoelde novellen flikkeren de werelden, die den achtergrond der novellen vormen, herhaaldelijk in de imaginatieve beelden… der geestelijke werkelijkheden àchter het verhaald doen en denken der menschen, te voorschijn. Een voorbeeld ervan, hoe bevrijdend het beleven van "de mythe", die achter elk menschenleven weeft, werken kan, is o.a. de vertelling: "Ordnung der Geschicke".
Bij het lezen moest ik soms denken: Is het genieten van deze subtiele, in visie omhooggeheven beelden niet alleen voor de fijnproevers? Maar tot slot heb ik gedacht: het is ook iets begeerlijks, fijnproever te worden. En dit is mogelijk aan deze novellen. Is het niet bij eerste lezing, dan bij de tweede. Bij de tweede lezing krijgt hij, die den wil heeft, zich deze genieting niet te laten ontgaan, er beslist den smaak van beet.
Hóé ontroerend het werkt, in sobere woorden werelden voorgetooverd te krijgen — ik kan de verleiding niet weerstaan, daartoe ook het slot van de "Rosenkreuzer-legende", waarvan hierboven bet begin werd aangehaald, weer te geven. Tot den vreemdeling in de groeve voor de "Kapelle auf dem Inselchen", die zijn dochter aan den Lehrer in de kapel had willen offeren en nu zelf, boetend, in de groeve den dood verwacht, roept de meester, dat hij omhoog zal komen, dat het graf niet voor hem, maar voor den Dood bestemd is. Hij de meester, haalt uit de kapel het geraamte van den heiligen monnik, die eens de kapel gebouwd heeft, om dit in het graf neer te laten:
"Da erhob sich der Fremdling, erst mit dem Haupte, dann mit der Brust und endlich mit den Gliedern aus dem Grabe und stand in stiller Demut da.
"Ich gebe dich frei", sprach er zu seinem Kinde.
Der Meister begrub das Vergängliche.
Wir alle schütteten Erde darauf.
Kan men fijner de opstanding van de mensch weergeven, het "Stirb und werde wiedergeboren", dan zooals hier de "vreemdeling" uit bet graf rijst: eerst zijn hoofd, het denken bevrijdend, vervolgens de borst, zijn gevoelsleven en ten slotte de leden, de wilsmensch in hem, datgene, dat het thans gewetene en gevoelde volbrengen moet? Terwijl de meester daarop bet geraamte, het vergankelijke, in het graf neerlaat. Dit hoort aan de aarde en haar lot, is voor den opgestane verleden geworden, heeft afgedaan. "Wir alle schütteten Erde darauf."
Men kan alleen maar groeien door de lectuur van deze sobere wijsheid.
Adelyde Content
terug naar Artikelen